zaterdag 27 september 2014

Alle elf en op zijn dertigst...

De tocht van 2 weken geleden smaakt naar meer. Nu ligt hier zo’n 50 meter verderop nog een “klassieker”. De Elfstedentocht. Zowel de schaatsers (wanneer was dat ook al weer) als de fietsers komen vrijwel voor ons huis langs. De fietstocht is 230 kilometer en maakt een “8” door Friesland. Bolsward is de startplaats en de finishplek, maar wordt ook halverwege nog een keer aangedaan.
Voor iemand die in Sneek woont – en toch geen elfstedenkruisje krijgt -  is het een beetje idioot om in Bolsward te beginnen. Sneek wordt start en finishplaats en we maken geen 8 maar een soort van cursieve 0. Ook leuk en het scheelt nog eens 20 kilometer ook.

Gisteravond de route getekend – aan de hand van de oorspronkelijke track – en in de Garmin gezet. Om kwart voor zeven vanmorgen raken mijn voeten de vloer; het is nog donker. Een flink ontbijt; twee keer koffie en wat voedzame spullen mee voor onderweg. Het ziet er gelukkig niet mistig uit. Om ongeveer half acht rijd ik de straat uit richting IJlst. Het ochtendlicht begint de dag in te schijnen en ik trap even aan zodat ik de zon net buiten Sneek kan zien opkomen. Over de Geeuw richting IJlst hangt een zachte deken van nevel. De zon is nog niet te zien; het licht is fraai diffuus.


Direct na IJlst kleurt de zon de nevels in. Een pracht gezicht. Ik stop weer om weer wat foto’s te maken. Zo schieten we nooit op natuurlijk, maar de kleuren en de serene sfeer is te bijzonder om niet vast te leggen. En trouwens…. wie had er gezegd dat ik haast heb, of haast zou moeten hebben.





Via Hommerts en Woudsend naar Sloten. Hier wint de mist het nog van de zon. Mijn bril beslaat en ook het vizier zit vol kleine waterdruppels. Het enige doekje dat een beetje schoon mee is, is mijn lensdoek van de camera. “Het moet maar”, mijmer ik als ik de bril schoonpoets en het vizier in de Quest opberg. Sloten wordt vrijwel op de tast gehaald. Daarna via Balk naar Oudemirdum.



 Bij het IJsselmeer breekt de zon weer door. Vlak voor Mirns zie ik waar mist gemaakt wordt. Uit het IJsselmeer stijgt een enorme deken met grijze mist op en ze heeft er ook nog aardig de vaart in. Ik stop; loopt de dijk op en maak wat foto’s van het bijzondere schouwspel. Aan de rechterkant is de wereld helder en strak blauw. Zwanen en ganzen dobberen zonnend in het water. Aan de linkerkant komt te mist op zetten en de schapen wat verder weg in het weiland zitten hier precies tussenin. Zij lopen in haast zilverachtige licht.





Veel tijd neem ik niet om dit schouwspel mee te maken. Het ziet er naar uit dat anders mijn fiets ook door de mist wordt opgegeten; en oh… zie hem dan nog maar eens terug te vinden.

Het lijkt me zelfs niet wijs om op het Mirnserklif koffie te drinken. En ach… ik heb al zoveel mooie tijd “verspild” dat mijn spieren nog niet echt om een pauze verlegen zitten. Ik fietst door en het gaat heerlijk. Mooi langs de dijk; langs het kleinste vissershaventje van Nederland. Laaxum; het stelt niets voor, is ook niet bijzonder mooi… maar het is nu eenmaal wel het kleinste vissershaventje.

Vervolgens over het Reade Klif, een keileemwand van 11 meter hoog en ooit aangelegd door Gletsjerijs. Maar dat was lang geleden. Iets minder lang geleden vond hier de slag bij Warn plaats. Op 26 september 1345 om precies te zijn. De “Hollanders” waren in Stavoren en Laaxum aan land gekomen, maar werden door de plaatselijke bevolking van Warns het moeras bij het klif ingejaagd. En – zo verteld het verhaal – zware harnassen en moeras zijn geen goede vrienden van elkaar. De overwinning had tot gevolg dat “wij Friezen” nog zo'n 150 jaar de zelfstandigheid konden bewaren. Sinds 1951 staat boven op het klif een monument, een grote zwerfkei met de tekst “leaver dea as slaef” (liever dood dan slaaf). De slag bij Warns wordt nog elk jaar door “oprjochte” Friezen herdacht. Enkele jaren geleden werd het even spannend, omdat ook het Vlaams Blok en een Nederlands Nationalistische partij verkeerde interesse kregen voor een stukje Friese folklore. Ik weet het niet zeker, maar volgens mij is rust weer gekeerd.


In elk geval; de afdaling van het klif levert mij een dagrecord op van 52 km/u. Nog haast uitrollend wordt Stavoren bereikt, waarna het weer genoeglijk langs de dijk “cruisen”  is naar Hindelopen. Wonderwel (ik ken haast alle wegen hier) rijd ik verkeerd op weg naar Workum. Ik dacht dat ik hier langs kon, maar het schapehek is echt te smal voor de Quest. Niet erg; ik keer om met een “zo, dat weten we nu ook weer”.

In Workum op de Merk in de zon een glas melk, een koffie en een stuk appelgebak. En dan door naar de zevende stad van vandaag. Bolsward. Ik kom nu alleen niet door het oude Hanzestadje en moet het fraaie gemeentehuis (oh ja, voormalige gemeentehuis) missen.

Via Witmarsum en Arum over de Grutte Pierwei naar Kimswerd. De boomlange Pier Gerlof Donia is (rond 1480) in Kimswerd geboren en naar verluid ligt hij er ook in de kerk begraven (onder de troon). In Sneek is zijn helm te zien en in Leeuwarden zijn 2,15 meter lange zwaard.

In Harlingen leidt de route me vrijwel langs het huis van mijn zwager. Ik vind het onfatsoenlijk en ongezellig als ik niet even om een bakje kom. De ontvangst is warm en hartelijk en de kids vinden het spannend dat ik zo maar met de fiets kom.

Ergens tussen Harlingen en Franeker zit ik op de helft. Het fietst nog steeds heerlijk. De Quest beweegt me met een snelheid van tussen de 34 en 37 km/u voort. Heerlijk. Harder hoeft niet en het pedaleert nog steeds ontspannen.
Na Franeker volgt voor de schaatsers het meest lastige stuk. Door de smalle vaarten tussen de kale Friese klei door richting Dokkum. Even wat minder dorpjes als houvast en het waait hier (zelfs vandaag) altijd hard.





Melancholisch eenzaam en mooi is de streek bij minder weer. Nu gewoon mooi (ook niet erg). Aan het eind van de langste straat van Nederland (de Oude Bilddijk 1226 huisnummers en 12 kilometer) eet ik een tosti in Oude Bildtzijl. “Ouwe Syl” op zijn Bildts. In 1505 werd de dijk door Dijkwerkers uit Zuid Holland aangelegd, wat het eind van de deels dichtgeslibde Middelsee betekende. In het Bildt praat men dik 500 jaar later nog steeds geen Fries, maar Bildts.


Na Hallum en Ferwerd wordt de koers verzet naar Dokkum. Mooi binnendoor via Lichtaard en  Bornwird. In Dokkum maak ik een klassiek leuk foutje. Net als ik het stadje binnenrijd zie ik een onbekend fietspad: “Burdaard” en daar moet ik heen. Mijn route is een stuk de ringweg van Dokkum rond en dan rechts af naar Burdaard. Maar ja, als dit ook kan……..

Nou, het kon maar net. Het fietspad volgt het oude jaagpad langs de Dokkumer Ee. En dat pad is veel te smal. De breedte van het pad is ongeveer gelijk aan mijn spoorbreedte, maar bij tegenliggers (het nadeel van zulk mooi weer), duik ik de berm in om ruimte te geven aan de E-bikes. Sommige eigenaren mopperen “sorry, dat het zo smal was hier wist ik niet” , anderen lachen om de fiets. Als ik 15 per uur hier trap, dan is dat mooi meegenomen.


In Burdaard heb ik het gevoel dat iedereen Marcel Prins kent. Niemand kijkt vreemd op van de Quest, je ziet ze alleen denken “he, deze is niet geel”. Marcel is niet thuis; of beter gezegd. Ik weet niet waar Marcel woont, maar zie geen Quest op een oprit staan.
De weg na Burdaard volgt mooi de Ee (Bartlehiem) en ik word rustig zonder veel verkeer aan de Noordkant van Leeuwarden neergezet. Vanaf hier verlaat ik de oorspronkelijke Elfsteden route (immers, die gaat naar Bolsward) en fiets ik over bekend terrein de stad door en dan naar huis.

Het ging makkelijk vandaag. Mijn lijf ervaart de 212 kilometer nauwelijks en de route was – ook al is hij me bekend – prachtig en afwisselend. Volgend jaar maar weer.


zondag 14 september 2014

Een bescheiden rondje

Edwin, Casper, Marc, Arjen, Pieter Jan, Hendrie, Paul, Peter en Jelle. Ik ken ze nauwelijks tot niet. Zo’n twee weken geleden zijn ze vanuit heel ver weg het IJsselmeer rond gefietst. Een afstand voor de meesten van tegen de 400 kilometer. Wat een prestatie. Met de trein is het al een fiks end. Mijn heerlijke tochtjes rond het Sneekermeer zijn daarmee vergeleken “eitjes rond de kerk”.

Het IJsselmeer fiets ik in de regel zo’n twee keer per jaar. Maar dit jaar is het er nog niet van gekomen. De verhalen van de rijders en hun filmpjes zijn de aanleiding dat ik gisterochtend mooi om kwart over zes uur naast mijn bed stond. Het meest vermoeiende deel van de tocht had ik de middag ervoor al volbracht; banden fiks op druk en de Schwalbe Marathon achter verwend met een nieuwe binnenband (die liep iets leeg).

Ik ben alleen zo stom geweest om de oplader van mijn camera ergens te laten liggen. Neem als alternatief mijn oude Lumix (uit 2008) mee en de GoPro.

De oude Lumix batterij is nog goed voor een paar foto’s. Het voelt bijna als analoog fotograferen. Toen had ik voor drie weken vakantie ook drie filmpjes (van 36 foto’s mee). Mocht je ongeveer vijf foto’s per dag maken.




Het weer is fraai. Niet te warm, niet teveel zon en een windkracht vier. Met het grote vizier op heel goed te doen. De zon komt mooi op en er ligt wat nevel over de velden.

De eerste 25 kilometers Friesland uit gaan super langzaam. Zit meer de klooien met de GoPro in combinatie met de iPhone, dan dat ik mijn benen het werk laat doen. De samenwerking tussen de twee is prima, maar het vreet wel energie. Ik besluit om gewoon de camera in de hand te houden en zonder WiFi zelf de knopjes in te drukken. Knip ik de slechte stukken er later wel uit.

De afsluitdijk gaat lekker. Fiets hem met een gemiddelde van zo’n 37 per uur en ik vind dat prima. Ook omdat het nog maar het begin is van de reis. Wil me in elk geval niet forceren.
Zoals altijd is een van de twee draaibruggen op de afsluitdijk aan onderhoud toe.
Daar gaat het zojuist opgebouwde gemiddelde. Op de Noorderdijkweg wordt het er niet beter op. Er is net nieuw grind als slijtlaag gestrooid. Ik glibber met vijfentwintig kilometer per uur over de losse steentjes.


Het Dijkgatbos op 65 kilometer is een mooie plek voor een eerste stop. Het blijkt een plek te zijn met historie: Het bos is ontstaan na een dijkdoorbraak in 1945. Bij een wraakactie van de Duitsers, die de oorlog aan het verliezen waren, werden op 17 april 1945 twee gaten in de toen 16 jaar oude dijk van de Wieringermeer geblazen. Het op twee plaatsen instromende water veroorzaakte twee kolkgaten, de huidige twee wielen van 20 en 26 meter diep. In twee dagen stroomde de polder vol. Na de oorlog kreeg het herstel van de polder een hoge prioriteit. Op 9 augustus 1945 werd met het malen gestart. Gemaal Lely en gemaal Leemans werden bijgestaan door zes noodpompen, waardoor de polder op 11 december 1945 weer droogviel. De materiële schade was enorm. Het grootste deel van de boerderijen en gebouwen moest later worden herbouwd. Het bos werd aangeplant op het zand dat na de dijkdoorbraak was blijven liggen. En daar….. daar eet ik nu een krentenbol…

Tot Medemblik is de route saai. Een rechte weg met rechte verkavelde weilanden. Het Lelygemaal bij Medemblik vind ik een van de fraaiste gebouwen op de route. Daarna slingert de route tot Enkhuizen mooi over het dijkje van de voormalige Zuiderzee. Het is nog vrij druk op het water. Schuimkopjes op de golven verraden dat er aardig wind staat.

Bij de vuurtoren “De Ven” (gebouwd in 1700 !) stop ik even. Gewoon omdat het zo’n bijzondere plek is. Waarom men gekozen heeft voor een raar, lelijk en groot hek rondom de vierkanten toren is me een raadsel. Ik strek mijn benen even bij het bankje en dan, hup, de fiets weer in richting Enkhuizen.


Na iets meer dan 3 uur (half twaalf) wordt Enkhuizen geschampt. De binnenstad is fraai, maar ik kies ervoor om door te rijden. Mijn lunch neem ik – geheel en al volgens de traditie – bij Checkpoint Charlie aan de Markerwaarddijk. Ik neem ruim de tijd voor twee glazen melk, twee koffie en een broodje kroket en om een uur of een zet ik koers voor de tweede helft van de rit.

De dijk fietst lekker door. Ik heb de wind schuin van achter en zolang ik tegen de 40 koers word ik begeleid door zwermen spreeuwtjes (tenminste… ik denk dat het spreeuwen zijn). Na de dijk – in Lelystad – moet ik opletten dat ik niet verkeerd koers. Lelystad blijft de stad waar ik het vaakst ben verdwaald en waar ik het makkelijkst verdwaal. Deze keer gaat het goed. Met weinig moeite weet ik de IJsselmeerdijk te vinden  (vanaf hier wind tegen) en fiets ik onder de slagbomen door langs de IJsselmeercentrale.
Ik heb twee keer bijna een aanrijding met een schaap (goh, wat reageren die beesten suf vertraagd) en geniet van de vele vogels aan de kant van de dijk. De aalscholvers maken indruk. Een zo’n vogel heeft ongeveer een kilo vis per dag nodig. Ik heb eens gezien hoe een kolonie de Langweerderwielen in een keer vrijwel leeg vrat. Sindsdien heb ik ontzag voor de (ietwat enge) beesten.

Het fietspad naar Urk is niet echt bedoelt voor velomobielen. Het is voorzichtig manoeuvreren om de fiets ongeschonden tussen de hekjes door te krijgen. Even verderop heb ik geluk dat twee wandelaars een schapenhek voor me open houden. Ik kan blijven zitten. 




Het is traag schudden over de klinkers van Urk en het duurt even voordat ik het fietspad langs het meer weer gevonden heb. De weg is weer tekentafel recht maar tempo is hier niet te rijden. Grote drainageslangen liggen over de dijk. Ze zijn voorzien van “op en afritten". Het is kundig mikken met een snelheid van hooguit 15 kilometer per uur.


Ik zit nog steeds op een tijdschema dat me net voor vijf uur weer in Sneek brengt. Alleen wordt ik na Urk gehinderd door kramp (dat hoort nu eenmaal bij me). Genoeg gedronken; genoeg rust genomen; zelfs magnesium geslikt en toch… pats…. daar is het. Dit keer op een plekje waar ik ooit een zweepslag had; maakt me wat extra voorzichtig. Met rek en strekoefeningen krijg ik de kramp er goed uit. In Lemmer maar een extra pauze bij de Mac (hun Cappuccino is wel lekker). De laatste kilometers gaan niet al te snel meer. Na een dikke 210 kilometer ben ik met een gemiddelde van iets boven de 30 km/u weer thuis. Niets vergeleken met “de helden” uit het begin van dit verhaal of met velonauten die Zoetermeer – Parijs – Zoetermeer in een keer fietsen. Maar dit in acht nemend, ik heb genoten van de mooie dag en ben niet ontevreden over hoe mijn lijf zich –zonder veel kilometers dit jaar - gehouden heeft.

woensdag 27 augustus 2014

Een heuse vakantiedag!

Eigenlijk keek ik al de hele week uit naar vandaag. Geen afspraken en het zou goed weer worden. Een mooie aanleiding om een wat groter rondje te trappen. Met bovengemiddeld enthousiasme mijn bed uit; het gordijn open en inderdaad; het is fietsersweer. Niet teveel wind; niet teveel zon en mooie wolken aan de hemel. Ik poets de lens van mijn camera extra schoon en beloof mezelf om vandaag foto’s te maken vanuit een snelle fiets. Snelheid is geen doel vandaag (“als ik zo rond de 34 trap, ben ik dik tevreden”).

Onderweg naar Joure blijkt dat ik snelheid slechts voor een deel in de hand heb. De bekendheid met de route; de conditie van de fiets en fietser; het wegdek; het humeur; de spieren; het weer: alles doet mee. Zonder dat ik er erg in heb ligt mijn kruissnelheid rond de 38 (ja, mijn humeur is prima; en ik weet dat er fietsers zijn met een sneller humeur); het fietspad glijd heerlijk onder mijn wielen door.

Joure is eigenlijk de oprit tot de tocht die ik maken wil. Dit stukje ken ik door en door. Het zijn de eerste of laatste 12 kilometer van mijn rondje Sneekermeer.  Bij Joure sla ik af. Langs het bos van Ouwsterhaule, Rohel wordt geschampt en hup; langs het grote Tjeukemeer naar Delfstahuizen. Daarna fiets je de stilte in naar Langelille.

De weg kruist het riviertje de Tjonger en vervolgens slinger je er een zes mooie kilometers langs. Ik stop voor wat foto’s en zuig de heerlijke stilte van deze dag naar binnen. De Tjonger is hier op haar breedst en voor mij op haar mooist.



Het is haast niet te bevatten dat de rivier geen monding meer heeft. Een paar kilometer zuidwaarts is de Tjonger opeens “op”. Wordt ze door de Noordoostpolder geblokkeerd. Het water uit de rivier wordt met hulp van het Wetterskip in Harlingen en Stavoren via de Friese Boezem het IJsselmeer in gepompt.

Na Langelille fiets ik langs een weiland met wel heel veel koeien. Als ik er honderd meter aan voorbij ben realiseer ik me wat ik zag. Een aantal ooievaars die heel rustig (haast symbiotisch) tussen de koeien lopen. De zwart witte kleuren van de diersoorten maken het tafereel heel logisch (ben jij mijn mamma?) waardoor wat laat de verbazing toeslaat. Ik besluit te stoppen en om te keren. Zet alvast de telelens op het fototoestel en hoop dat de vogels er nog zitten.






Het schouwspel sla ik zo’n een tijdje gade. In totaal tel ik zeven ooievaars. Ze lopen rustig tussen de koeien alsof ze niet anders gewend zijn. En ook de koeien reageren meer op mijn aanwezigheid (ze zijn nieuwsgierig; komen naar me toe) dan op de ooievaars. Vraag me wel af wat de vogels in het weiland zoeken (baby’s komen toch niet uit koeienpoep?). Al redenerend lijkt het me logisch dat het makkelijk regenwormen vinden is in een weiland waar de grond door heel veel koeien wordt los getrild.

Na 10 minuten rijd ik bevoorrecht verder. Nog een stukje Tjonger en dan langs de oude zeedijk naar Lemmer. Ook hier is de snelheid weer heerlijk hoog. Acht kilometer zonder noemenswaardige obstakels (twee veeroosters) en vooral mooie vergezichten.
Een paar kilometer buiten Lemmer (traag het centrum door en de oude sluizen langs) weet ik dat ik langs de Sondeler Leien moet fietsen. Een klein mooi meertje ontstaan na een dijkdoorbraak in de vroege middeleeuwen. Een dijkje belemmert mij het zicht. Bij de vogelkijkhut zet ik de fiets stil. Ik strek even mijn benen, eet mijn banaan en loop naar de hut. Nauwelijks vogels; wel een fraai uitzicht.




 Voor Oudemirdum moet ik kiezen hoe ik verder fiets. Of de kortste route langs  de drukke weg en het bos naar Rijs of langs het IJsselmeer naar Mirns. “Oh, dan kan ik bij het Mirnserklif wel wat eten”, schiet het door mijn hoofd. “Ja, maar dan is het geen fietstocht meer, Klaas, maar een vakantiedag!” antwoord het laatste restje Calvijn in mij. Het wordt dus Mirns. Niet alleen vanwege het Mirnser Klif, maar ook omdat het uitzicht over het IJsselmeer net na Oudemirdum zo adembenemend mooi is.

Oudemirdum uit is heel even serieus klimmen. Zestig meter, met een stijgingspercentage van 5,2% (toe maar). En dan, dan wordt je getrakteerd op het mooiste uitzicht over het IJsselmeer. Twaalf meter boven de zeespiegel kijk je uit over de landerijen, langs de bosrand en over het grote stille water.
Ik schrik van wat er zich aan de horizon afspeelt. Windmolens, van die grote moderne. Niet één, maar een fiks aantal worden aan de rand van het IJsslemeer geplaatst en verscheuren daarmee het eeuwenoude uitzicht.




Voor het eerst in mijn leven baal ik van de molens. Ik geloof in duurzame energie en zie zeker de noodzaak er van in om al het mooist wat deez’ aard te bieden heeft te behouden. Maar dit… Deze molens… het komt zo megalomaan over.

Ik heb er geen verstand van (geen enkel verstand zelfs). Maar een aantal kilometers lang houden deze tekentafelmolens met grootheidswaanzin mijn gedachten bezig. Nederland is een land dat bestaat dankzij molens. Molens die jaren dienst gedaan hebben en organisch bij het landschap horen. Kan er van die nieuwe windturbines niet een stukkie af? Gewoon wat lager – minder vervuilend – en dan maar met iets minder rendement? En… is een bestaand industrieterrein niet een betere plek voor een windmolenpark? Gewoon tussen de fabrieken, waar je toch niet komt om van het landschap te genieten? En compenseert de daar al bestaande infrastructuur en toegankelijkheid niet een deel van het verlies aan rendement?
Nogmaals. Ik weet het niet. Denk alleen wel dat het goed zou zijn om eens op een andere manier dan vanuit rendement en technische competentie (competitie?) naar het vraagstuk te kijken.

Het Mirnserklif is prachtig. Het klif danken we aan oprukkend landijs van ver voor de eerste elfstedentocht en het vormde een natuurlijke zeewering tegen de Zuiderzee. Het (eenvoudige) terras ligt aan het eind van een groot bos tegen het strandje en het water aan. Twee en halve meter boven NAP. Het uitzicht is on-Nederlands; de tomatensoep spaakt prima en in het IJsselmeer wordt – met uitzicht op honderden zwanen – gespetterd. Wie zwemmen wil moet ergens anders heen. Het water blijft kilometers lang tot onder de knie.


 Na een drie kwartier de fiets weer in. Richting Koudum en dan Workum via it Heidenskip (of er een relatie is weet ik niet; maar in it Heidenskip fiets ik langs het Helspaed).
In het dorp in die lege polder besluit ik van mijn route af te wijken. Bij een vakantie hoort een pont! Dus niet via Workum, maar via Gaastmeer terug naar Sneek. De pontbaas heeft goed zin en noemt elke vrouw vandaag “lieverd” (zucht). Een oudere heer op een E-bike kijk vol belangstelling naar de Quest en wil van alles weten. “ach”, zeg ik “eigenlijk is het verschil tussen uw fiets en die van mij niet zo groot, we willen alle twee graag heerlijk fietsen zonder dat het al te veel inspanning kost”.  De oude baas glundert en aait de Quest zelfs even.




Na vijf mooie uren onderweg ben ik weer thuis. Iets meer dan drie uur gefietst. Op de teller staat exact 100 kilometer. Wat een fraaie dag!