zondag 27 mei 2012

Aalst - Waalwijk

De fiets was al gepakt toen ik om 8 uur de eetzaal betrad voor het ontbijt. Het is overduidelijk dat we Frankrijk hebben verlaten: brood (ook bruin), kaas, ham en of ik een eitje wil. Nou, het is zondag he; lekker brood met jus en een ei. Het lijkt wel thuis. Gisteravond al een route in elkaar geflanst voor naar huis. Ik hoef niet zo nodig door Breda, dus al in Rijsvoorsel zal ik de Route van Vader Jacob (met spijt) verlaten. Vanaf daar is het nog 265 kilometer naar huis. Tot daar 95km. Twee dagen van 180 kilometer zijn nodig om maandagavond (al)weer lekker thuis te zijn. Dat gaat lukken. Ik kom geen heuveltjes meer tegen; geen rare hellingen of dorpen met verkeerdrempels zo hoog als het Mirnster Klif. Ik rijd straks door Nederland!

De banden voorzie ik van wat extra 'wind' (wie dut mie wat) en hup, daar gaan we. We zien wel hoever het wordt. De 600 van Peter en Tom; nooit en never. De 400 van Marcel die het IJsselmeer en nog wat meer rond reed; oh… dat lukt me ook niet. Als ik de Waal of de Rijn over kan steken. Dat zou al heel prachtig zijn.

De eerste kilometers zijn weer over fietspad. Heerlijk. Het gaat niet al te hard. Twintig; vijfentwintig per uur en af en toe vragen of ik passeren mag op deze zondagochtend. Zelfs stukken langs de spoorbaan. En altijd weer die vriendelijk bordjes: Verboden in te rijden (geldt niet voor fietsers).


Het is zo wie zo geen snelle route vandaag. Draaien, keren, dan weer over het fietspad; of over het te smalle fietspad langs de weg, dan weer de (slechte) hoofdweg. Soms een stuk 35, meestal net onder de dertig. Af en toe een kasseienstrook en zelfs een aantal keren een onverhard pad. En overal fietsers. Heel België fiets deze zondag. In groepjes met shirts van de plaatselijke bakker of in shirts van Tom Boonen. Het zijn net groepen bijen of zo. Zoef; daar zijn ze opeens; dan schieten ze de bocht om en … ze zijn weer weg.

Hoe later het wordt hoe meer de racefiets ingeruild wordt voor E-bike. Maar hoe dan ook. Heel België fietst.

Ik rijd dwars door Mechelen en Lier. In Mechelen is het straatspeeldag. Dik feest voor de kinderen en K3 is de hoofdact. In Lier wordt 800 jaar stadrechten gevierd. Ik kom midden in een optocht van onder meer 500 schapen. Ook deze stad schiet niet op. Later dan ik gewild heb kom ik al redelijk uitgeput (phew… wat is het warm en benauwd) in Rijksvoorsel.





Ik laad de nieuwe route naar…. Sneek! De Garmin protesteert; hij vind de route te lang. In de ijssalon van Rijksvoorsel splits ik de route snel in twee nieuwe. De ene loopt tot Amerongen de andere naar Sneek. Daar gaan we. Ik droom van een hoog gemiddelde. “De historische route is prachtig; heer Sweerman, maar hier komt de snelle!”. Hoe verder ik vandaag fiets, hoe minder ver ik morgen moet. Simpel als maar kan.

De eerste 7 kilometers zijn geweldig. Snel, fraai en rustig. Een gemiddelde van 33 per uur. Ik Quest weer; overduidelijk. En dan… ik geef mezelf op mijn kop; scheld een paar keer en trap daarna met 6 kilometer per uur door het mulle zand van een bospad. “He? had ik dit gewild?”. Tuurlijk niet, maar het lijkt erop dat ik Garmin Basecamp op de computer niet goed heb afgesteld. Een konijn red mijn humeur terwijl het bospad verder langs dure villa’s (ook met Nederlandse auto’s) voert.




Ik kom Nederland binnen zonder dat ik het door heb. Geen bordje (welkom in Nederland), geen slagboom, en geen kroeg. “Nu gaan we los”, denk ik. Totdat na 5 kilometer er een wegopbreking is. Ik moet er uit, loop met de fiets door het mulle zand en zie mijn gemiddelde tot een Spaans niveau dalen.
Tilburg zou de eerste stad zijn die in Nederland schamp. Het word een ramp. Ik moet er dwars door heen. Geen fietspad rond de ring; langzaam de nieuwbouw door op zoek naar een doorgang. De brug over (Willemskanaal??) mag ook al niet. Ik zit in Tilburg en moet helemaal terug naar Dongen om het water over te steken (ooh… waar is de heen- en weerwolf). Het hele geintje kost me anderhalf uur en ook wel een beetje mijn humeur.



Nu moet ik er morgen een 220. Dat moet lukken. Morgen is het ook elfstedenfeest in Friesland. Dezelfde afstand. 15.000 fietsers, waaronder Jan (van Akke) met wie ik naar Santiago reed. Hij fietst hem morgen voor de 50ste (!) keer; een top prestatie. Nu ga ik eerst Kruispunt kijken. Over de Camino. Lenie (mijn vriendin) en haar twee wandelmaatjes worden geïnterviewd (ook te zien op uitzending gemist hoor).

Morgen Sneek, als Sjaak het wil…. Ik hoop het.

Cambrai - Moorsel

Mijn fiets stond vanmorgen zo goed als onder het raam van de hotelkamer. Eerst ontbeten, daarna de fiets ingepakt, het hotel betaalt en omdat de douche te heerlijk was om over te slaan stap ik geheel fris de fiets in. De stad is wakker en het is opletten tussen al het verkeer. De stad is fraai (van wat ik zie) en ik verbaas me er weer eens over hoe weinig we eigenlijk van de wereld weten en kennen. Cambrai; ooit van gehoord en nooit geweest, op naar Tournai (Doornik); hetzelfde laken een pak.

Daar tussen in; het Noorden van Frankrijk. De streek van Parijs Roubaix; van mijnwerkersdorpjes en van noeste arbeid. De wegen zijn er vrij vlak, maar slecht onderhouden. In de dorpen veel leegstand en huizen in verval. De mijnen zijn al jaren dicht en de vervangende industrie biedt niet voldoende voor iedereen.




De mensen groeten vriendelijk of zwaaien even naar de fiets. Ik toeter naar de kinderen en zo is het een mooie dag. Als het wegdek het toestaat wordt de 35 kilometer aangetipt; harder hoeft niet. Heerlijk. Ik steek het spoor over en ben in de val gelokt. Kasseien. De enige echte; zowel rechtdoor als linksaf naast de twee watertorens. Kasseien. Erre à Wandignies; strook 16 in Parijs – Roubaix, 3 sterren en 3700 meter is vandaag voor de Quest en voor mij. Ik fiets met 5 kilometer per uur over de glanzende stenen en stuiter heen en weer. Soms is het niet eens meer sturen maar glibberen op het gladde profiel van de keiharde noeste kasseien. Halverwege moet ik uitwijken voor de Tractor. Ik maak een grapje “Roubaix, die kant op mijnheer?”. De boer snapt me niet. Ik zeg nogmaals “Roubaix?” en wijs. Hij knikt “ah, ja. Parijs Roubaix; die komt hier elk jaar overheen he”. Hij vraagt waar ik vandaan kom en als ik zeg dat ik vanuit Spanje terug naar Nederland fiets, zegt tie “In de Pyreneeën? Met dat ding? Ongelooflijk”. Ik voeg aan “Hier over de kasseien, dat is vrijwel even ongelooflijk, meneer, pffff”. Hij lacht stapt in en we wensen elkaar een goede reis en een mooie dag. Elk jaar kijk ik met veel plezier naar de wielerklassieker. Bewondering was er al. Na deze 3700 meter is dit meer dan verdubbeld. Hier fietsen is geen fietsen meer; het is koorddansen tegelijkertijd.


Dan ineens is er Brunehaut. België! Ik heb 1200 kilometer Frankrijk achter me liggen. Het eerste huis in België is een kroeg (en dit is geen dichterlijke vrijheid!). Een kroeg annex winkel. Iets te eten hebben ze niet (helaas) wel zijn er verse aardbeien te koop (net van het land achter de winkel); worstjes hebben ze ook (wellicht ook van het land achter de winkel). Alleen geen brood of zo. Ik zeg “Nah, laat maar, maar omdat het hier zo fraai is, doe maar een Jupiler zonder alcohol. In ben immers in België”. Ik krijg een schouderklopje van een van de gasten en beantwoord de vragen over de fiets en over de reis. Zelfs “nonkel” wordt van het land gehaald om de fiets te aanschouwen.




Tournai is de eerste grote stad die ik in België aandoe. Het is wat later dan gedacht (al tegen 14:00 uur en nog maar 68 kilometer gefietst) maar de heuvels en de slechte wegen (grote platen beton, met sleuven er tussen) halen het gemiddelde niet omhoog. Het stadje oogt leuk, oud en Vlaams. Het terras is prima maar de bediening pet. Al met al kost het me een uur om een bak koffie en een broodje te bestellen, op te eten (ging toch aardig snel) en te betalen. Net na drie uur fiets ik de stad uit.
De eerste veertig kilometer gaan door de heuveltjes. Klote dingen, die heuveltjes; 6% blijft 6%; zelfs als de afstand niet zo heel lang is. Het is hier dichter bevolkt dan in Frankrijk. Overal zijn er huizen en wegen of weggetjes te zien. Smal en geregeld eenrichtingsverkeer. Dat laatste wist ik ook niet toen ik de rit plande. Ik negeer het bord (verboden in te rijden) en na 500 meter bij de eerste tractor snap ik het waarom van het bord. Dit herhaalt zich nog een aantal keren. Omdat ik me verantwoordelijk voel (ik rijd hier fout) vind ik elke keer dat ik ook ver de berm in moet.



In Lessines een bak koffie op het terras. De hele familie “de helaasheid der dingen” (pracht film en boek) is aanwezig en vraagt met een Waals dialect van alles tot en met nog wat (tot hoe mijn vrouw me hier eigenlijk volgt… tja… ). Ik versta maar de helft (en soms minder) en vind het afscheid niet onoverkomelijk. Daarna zoek ik de route maar rij verkeerd. Ik mis (zo blijkt later) een piepklein steegje. Ik keer op de weg, maar moet lastig flinstonen om het rondje te kunnen maken. Een heer op het trotoir houdt me aan. “Ho, stop, dit is eenrichtingsverkeer”. “Ach, het is maar een klein stukje, ik ben verkeerd gereden”. “Nee, dit mag niet, waar moet u heen?”. “Richting Aalst, meneer”. “Ah, dat is makkelijk, dat is die kant op” en hij wijst in de richting die ik niet wil. “Zal ik u helpen?” zijn handen grijpen al richting fiets, terwijl mijn voeten op de grond staan. “Nee, meneer, als u me nu duwt, zijn mijn voeten stuk”, antwoord ik een beetje pissig. “Ik wil gewoon 25 meter die kant op, daar links af en dan zit ik weer op de route van St. Jacques.” “Ah, ok, nu snap ik het, de route van St. Jacques; een mooie dag dan maar verder”. Hij groet en loopt verder alsof er geen conversatie geweest is. Het gehele tafereel doet denken aan een scene uit de dierenwinkel van Jiskefet. Na drie keer manoeuvreren lukt het me om veilig de draai te nemen en als ik links af door het steegje ga; een heel vreemd achterbuurtje doorfiets en een brug overdraai, sta ik zomaar op wellicht het meest bijzondere fietspad van de Benelux. Ik mag vanaf hier 40 (!) kilometer de oever van het riviertje de Dender volgen. Over het jaagpad. Heel mooi geasfalteerd en van een onwaarschijnlijke schoonheid. Ik suis langs het water, zachtkens en haast zonder geluid. Met een snelheid van rond de 27 kilometer per uur. Harder moet hier niet. Het fluitenkruid staat zo hoog dat ik geregeld verstopt rijd over het pad. “Als zij met niet zien, moet ik hun maar zien”, denk ik en zo fiets ik ook. Behoedzaam en genietend. “Wauw; wat bijzonder; wat is het leuk om hier te fietsen” Elke keer als de GPS aangeeft dat er weer een afslag volgt, hoop ik dat het niet het einde van de tocht is. Ik fiets onder de auto’s op snelwegen door; onder treinbruggen; langs dorpjes en steden; langs sluizen, vissers, ganzen en koeien. Zonder auto’s zonder kabaal en enkel door de natuur. Ik fiets over het grote cadeau dat België haar fietsers gegeven heeft. Het jaagpad langs de Dender.





In Aalst is het over (en wel per direct; naast me een grote stinkende chemische fabriek) en op naar Moorsel. Daar heb ik (na 152 kilometer) een bed en breakfast besproken. In een oude brouwerij. Nederland komt dichtbij. Thuis ook. Heerlijk.



zaterdag 26 mei 2012

Compiegne - Cambrai

Keurig netjes om 8:00 uur aan het ontbijt. Toch rijd ik pas tegen elf uur de stad uit. Ik ben op zoek naar een nieuwe achterband. Het liefste een Schwalbe Marathon. “De gewone graag; niet de Plus en als u hem heeft in de maat 26*1.95”. Dit zinnetje heb ik de afgelopen nacht tweetalig meermalen gedroomd. De band van mijn grote vriend Francis blijft een van de mooiste achterbanden die ik ooit gezien heb. Maar hij zwalkt wat Frans in de bochten en hij vraagt veel energie om op gang te komen.
Van twee aardige mensen uit Hoofddorp had ik het adres gekregen van een goede fietsenmaker. Nog vlak bij het hotel ook. Voordat ik er met mijn fiets heen rijd, wil ik eerst weten welke banden hij heeft en of er plek is om de Quest van nieuw schoeisel te voorzien. Het is een kwartiertje wachten voordat een jonge knaap open doet. Zijn winkel ademt passie voor fietsen en van voor naar achter en van onder tot boven is de winkel gevuld met velgen, wielen, helmen, fietsen en…. banden. Hele rekken. Het is te fraai om waar te zijn. Ik kan zowaar kiezen tussen een plus en de marathon “origional”. Wauw… die wil ik. Het is wel de 1.75; maar das prima. Ik zeg tegen de jongen dat ik mijn fiets ga halen en als hij het leuk vind, dan mag hij helpen.

In het hotel neem ik nog snel een douche en pak ik mijn spullen en de Quest in. Een stukje de stad door en dan kan de fiets op zijn kant bij de fietsenmaker van Compiègne. Parijs – Roubaix start in deze stad; wellicht verklaart dat de liefde van de man voor zijn vak. “C’est un Flevobike?” is het eerste wat hij zegt als hij de fiets ziet. Daarna krijg ik een opmerking over de velgen van de voorwielen. Hij importeert ze zelf ook; als enige in Frankrijk. Vervolgens legt hij met liefde m’n nieuwe Schwalbe Marathon om het achterwiel. Zonder een druppie zeep, gewoon met de toppen van zijn vingers. Ik betaal hem en trakteer hem op een ijsje uit de grote ijscokist van zijn buurman de groenteboer. De band van Francis zit achter in de fiets. Als reserve. Maar veel meer als relikwie van een Pelgrimstocht (okay, als souvenir uit Frankrijk).

De Marathon krijgt direct de kans om te laten zien wat hij kan. Het is vrijwel vlak hier en als verassing mogen de eerste 15 kilometer na de stad afgelegd worden in een fraai loofbos. “Ik Quest weer” gonst het door mijn hoofd. De snelheidsmeter geeft 32 aan; met gemak en zonder moeite. Ik trap wat bij om het tempo hoog te houden. Heerlijk! Op het Internet is een discussie gaande over wat de beste vakantieband is. Volgens mij is er maar een echt heel goede vakantieband, maar volgende week als ik thuis ben durf ik het pas hard op te zeggen.



In Noyon besluit ik om de snelste route even vaarwel te zeggen en het stadhuis en de Kathedraal te bezoeken. Ik stuiter over de kasseien het aardige centrum door. Dit is eigenlijk niet te fietsen. Wellicht een idee voor Wim (en ik doe vast mee); als de Risse voordempers er zijn: Parijs – Roubaix als ultieme testomgeving.


De Kathedraal is Kathedraal. Groot en groots. In de nissen verschillende kleine kappelletjes; het geeft iets intiems terug aan de immense 13e eeuwse kerk. Ik brand een kaars en ga weer op pad. Uitgezwaaid door de enthousiaste koster die het wel bijzonder vond dat een haast buitenaards wezen zijn kerk bezocht.



De streek lijkt steeds meer op Wallonië en begint na Noyon weer aardig te golven. Af en toe zie je de kasseien liggen als ondergrond voor de geasfalteerde weg; af een toe kom je een strookje kasseien tegen. Napoleon heeft in deze streek (steenkool) veel kanalen laten graven. Ik steek het kanaal van St. Quinten meerdere malen over en altijd liggen er schepen te wachten bij de sluis. Verderop zijn er tunnels waar de schepen door heen gaan. Tot voor kort werden ze met een elektrische lier de tunnels (van wel 5000 meter lang) door getrokken. Het lijkt me best een leuk alternatief voor de fiets; ooit…



Verder rijd ik kilometers tussen de graanvelden en geniet ik van de natuur: het koolzaad heeft plaatsgemaakt voor de boterbloem en de schelde die hier ontspringt biedt plaats aan een paar waterhoentjes. Vlak voor Cambrai fiets ik langs de Abdij van Vaucelles. Men is druk aan het restaureren. Een paar kilometer verder op staat er een “poort” van de Abdijmuur uit de 11e eeuw verlaten in het landschap.




Een klein bordje laat zien dat dit toen ook al de route naar Santiago de Compostella was. Bijzonder blijft het; al die mensen met een doel maar zonder plan op stap.



Tegen een uur of zeven - en na 125km - komt Cambrai (Kamerrijk) in zicht. Ik vind een hotel in een parkachtige omgeving vlak bij het centrum. Omdat het hier zo heerlijk stil is, peins ik er niet over om nog de stad in te gaan.