Posts tonen met het label Frankrijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frankrijk. Alle posts tonen

zaterdag 26 mei 2012

Compiegne - Cambrai

Keurig netjes om 8:00 uur aan het ontbijt. Toch rijd ik pas tegen elf uur de stad uit. Ik ben op zoek naar een nieuwe achterband. Het liefste een Schwalbe Marathon. “De gewone graag; niet de Plus en als u hem heeft in de maat 26*1.95”. Dit zinnetje heb ik de afgelopen nacht tweetalig meermalen gedroomd. De band van mijn grote vriend Francis blijft een van de mooiste achterbanden die ik ooit gezien heb. Maar hij zwalkt wat Frans in de bochten en hij vraagt veel energie om op gang te komen.
Van twee aardige mensen uit Hoofddorp had ik het adres gekregen van een goede fietsenmaker. Nog vlak bij het hotel ook. Voordat ik er met mijn fiets heen rijd, wil ik eerst weten welke banden hij heeft en of er plek is om de Quest van nieuw schoeisel te voorzien. Het is een kwartiertje wachten voordat een jonge knaap open doet. Zijn winkel ademt passie voor fietsen en van voor naar achter en van onder tot boven is de winkel gevuld met velgen, wielen, helmen, fietsen en…. banden. Hele rekken. Het is te fraai om waar te zijn. Ik kan zowaar kiezen tussen een plus en de marathon “origional”. Wauw… die wil ik. Het is wel de 1.75; maar das prima. Ik zeg tegen de jongen dat ik mijn fiets ga halen en als hij het leuk vind, dan mag hij helpen.

In het hotel neem ik nog snel een douche en pak ik mijn spullen en de Quest in. Een stukje de stad door en dan kan de fiets op zijn kant bij de fietsenmaker van Compiègne. Parijs – Roubaix start in deze stad; wellicht verklaart dat de liefde van de man voor zijn vak. “C’est un Flevobike?” is het eerste wat hij zegt als hij de fiets ziet. Daarna krijg ik een opmerking over de velgen van de voorwielen. Hij importeert ze zelf ook; als enige in Frankrijk. Vervolgens legt hij met liefde m’n nieuwe Schwalbe Marathon om het achterwiel. Zonder een druppie zeep, gewoon met de toppen van zijn vingers. Ik betaal hem en trakteer hem op een ijsje uit de grote ijscokist van zijn buurman de groenteboer. De band van Francis zit achter in de fiets. Als reserve. Maar veel meer als relikwie van een Pelgrimstocht (okay, als souvenir uit Frankrijk).

De Marathon krijgt direct de kans om te laten zien wat hij kan. Het is vrijwel vlak hier en als verassing mogen de eerste 15 kilometer na de stad afgelegd worden in een fraai loofbos. “Ik Quest weer” gonst het door mijn hoofd. De snelheidsmeter geeft 32 aan; met gemak en zonder moeite. Ik trap wat bij om het tempo hoog te houden. Heerlijk! Op het Internet is een discussie gaande over wat de beste vakantieband is. Volgens mij is er maar een echt heel goede vakantieband, maar volgende week als ik thuis ben durf ik het pas hard op te zeggen.



In Noyon besluit ik om de snelste route even vaarwel te zeggen en het stadhuis en de Kathedraal te bezoeken. Ik stuiter over de kasseien het aardige centrum door. Dit is eigenlijk niet te fietsen. Wellicht een idee voor Wim (en ik doe vast mee); als de Risse voordempers er zijn: Parijs – Roubaix als ultieme testomgeving.


De Kathedraal is Kathedraal. Groot en groots. In de nissen verschillende kleine kappelletjes; het geeft iets intiems terug aan de immense 13e eeuwse kerk. Ik brand een kaars en ga weer op pad. Uitgezwaaid door de enthousiaste koster die het wel bijzonder vond dat een haast buitenaards wezen zijn kerk bezocht.



De streek lijkt steeds meer op Wallonië en begint na Noyon weer aardig te golven. Af en toe zie je de kasseien liggen als ondergrond voor de geasfalteerde weg; af een toe kom je een strookje kasseien tegen. Napoleon heeft in deze streek (steenkool) veel kanalen laten graven. Ik steek het kanaal van St. Quinten meerdere malen over en altijd liggen er schepen te wachten bij de sluis. Verderop zijn er tunnels waar de schepen door heen gaan. Tot voor kort werden ze met een elektrische lier de tunnels (van wel 5000 meter lang) door getrokken. Het lijkt me best een leuk alternatief voor de fiets; ooit…



Verder rijd ik kilometers tussen de graanvelden en geniet ik van de natuur: het koolzaad heeft plaatsgemaakt voor de boterbloem en de schelde die hier ontspringt biedt plaats aan een paar waterhoentjes. Vlak voor Cambrai fiets ik langs de Abdij van Vaucelles. Men is druk aan het restaureren. Een paar kilometer verder op staat er een “poort” van de Abdijmuur uit de 11e eeuw verlaten in het landschap.




Een klein bordje laat zien dat dit toen ook al de route naar Santiago de Compostella was. Bijzonder blijft het; al die mensen met een doel maar zonder plan op stap.



Tegen een uur of zeven - en na 125km - komt Cambrai (Kamerrijk) in zicht. Ik vind een hotel in een parkachtige omgeving vlak bij het centrum. Omdat het hier zo heerlijk stil is, peins ik er niet over om nog de stad in te gaan.



donderdag 24 mei 2012

Epône - Compiegne

waarde vriend het is hier prachtig
de koeien zijn ontroerend drachtig

de spoorlijn loopt dwars door het dal
een vrouw beheert de waterval

elk huis of hok met beemd en gaard
verkoopt men op een ansichtkaart

waarde vriend het is hier prachtig
het wordt me soms wel eens te machtig

(120 kilometer zonder malheur!)

Vanmorgen om 7:00 uur al aan het ontbijt. Ik dacht “als ik nu vroeg wegfiets, dan houd ik wat meer tijd over voor ongemak”. Ruim voor acht uur al de stad uit. Voorzichtig manoeuvrerend tussen veel verkeer die met de file naar Parijs gaan (in 45 km sta je vanaf hier onder de Arc de Triomph.) De Seine over; een dorpje uit en dan direct ochtendgymnastiek. Klimmen. Drie kilometer lang. Je begint op 30 meter en gaat door naar 185 meter hoogte. Sommige stukken waren “goed” te doen; enkele honderden meters zaten zo rond de 12% en dan ga ik niet super snel meer.
De weg voert heel mooi het Seine dal uit. Vaak door of langs het bos. Prachtig. Opeens borrelt een gedicht boven die ik als 15 jarig knaapje uit mijn hoofd had geleerd voor Nederlands. Ik denk dat ik nog enige regels mis; wat ik nog herinner staat hierboven (wie het aan kan vullen, vul het aan).



Het werd zo wie zo de hele dag klimmen en dalen. Op 20 meter boven zee niveau begonnen en op 36 meter boven zee niveau geëindigd. Tussen door 2 keer de 200 meter aangetikt. Dat lijkt niet veel, maar na 95 kilometer had ik 1270 hoogtemeters achter de kuiten hangen. Na 84 kilometer Pyreneeën waren dat er 1070. Op zich is klimmen hier niet heel erg. Ik weet dat ik boven kom; hoe dan ook. Soms doe je er wat langer over, dat is alles. Het meest bijzondere aan al dat klimmen is dat ik geregeld denk “ah, hier gaan we hard naar beneden” of “tjee, daar moet ik stijl omhoog”. En dan is dat hard naar beneden nog gewoon 4% klimmen en houd je bij “stijl omhoog” gewoon nog 20km per uur aan. Mijn horizontale oriëntatie laat in de heuvels wel eens wat steekjes vallen.



In Meru – na dik 50 kilometer – gestopt voor een maaltijd. Omdat ik fietser heet, kies ik voor Spaghetti. Het bevalt me wel; 's middags een warme maaltijd; dan hoef ik straks alleen nog een broodje en wat rauwkost te kopen voor vanavond. De weg slingert verder. Langs de overbekende graanvelden en soms even door mooi bos (en ja, weer een eekhoorn die voor me over de weg schiet). Ik doe kalm aan (vooral bij verkeersdrempels) en voel me heerlijk weer een fotograaf die graag fietst. Geen last van niets…


Elke dag kom je fietsers tegen die de andere (de goede) kant opgaan. Meestal zes tot acht per dag. Vaak twee heren; even vaak een echtpaar en soms een man alleen. Net na Andenville een warme ontmoeting met een echtpaar uit Hoofddorp. Aardige mensen die hun tijd nemen en de tijd hebben ("elk zichzelf respecterend volk zorgt ervoor dat hun land vlak is", sprak hij hijgend aan de top van de zoveelste heuvel). Ze zijn al eerder naar Rome gefietst; deze reis is geen spirituele bevlieging en geen reinigend moeten; de wereld is mooi, dus trek je er op uit. We wisselen wat ervaringen uit; zij weten een goede fietsenmaker (yess) in Compiègne; ik een leuke gîte in Epone, we wensen elkaar een mooie reis in een mooie wereld en gaan verder.

De kerk in Epineuse laat zien hoe hij in het midden van de gemeenschap staat. De klok, de brievenbus, het oorlogsmonument, de verkiezingsposters en de richtingaanwijzers. Alles op een paar vierkante meter. De klok van de kerk is meer dan 110 jaar geleden geschonken en loopt nog keurig op tijd.




De laatste 20 kilometers gaan soepel. Vrij vlak door wederom het graan (wat is de opbrengst in stokbroden van een hectare? zo vraag ik me af). De stad wordt om half zeven bereikt. Ik geniet van het uitzicht vanuit mijn hotelraam; ga met kleren mee in bad (die hangen nu te drogen in het raam) en slenter daarna nog even door het centrum.




De NOS meldt zojuist dat Nederland weer is uitgeschakeld op het songfestival. Het zal wel: het was een pracht dag.



woensdag 23 mei 2012

Chatres - Epône

Je gelooft het niet. 12:00 uur en ik zit hier al een tijdje op een campingstoeltje midden in het bos. Het weer is prachtig, de vogels zingen mooi, het bos fraai en vrij open er zijn wel wat teveel vliegjes en mijn achterband is zo goed als overleden.

Het “bio-industrie-hotel” waar ik sliep had nog een overeenkomst met de Refugio’s van Lenie: Vroeg wakker. Het was niet het opstaan van de mede Pelgrims waardoor je gewekt werd maar het kabaal van de snelweg een 75 meter verder op. Een zicht locatie heet zoiets, geloof ik, en daar betaal je dan meer voor. Vanaf zeven uur wordt het ontbijt geserveerd en ik zat dus vanaf zeven uur aan het ontbijt. Daarna nog even snel douchen, pakken, lijmtang onder de fiets en op weg. Zonder plan, wel een doel (dat is Sneek) en hopen dat we deze dag eindelijk een keer pech-vrij doorkomen.

Eerst Chatres door. Ik denk dat het een mooie stad is. Ik heb er niet al te veel van gezien. Druk, opletten en weinig kans op rond te kijken. Het zou me niets verbazen als ik de grootste cultuurbarbaar van alle Pelgrims ben. De steden? Ik ben alleen maar blij als ik er door ben. En vaak lees ik ’s avonds nog even na wat ik allemaal gemist heb vandaag. Zo ben ik vandaag al door Maintenon (ik vroeg met af of dat “nu niet” betekende) gefietst. Bekend om zijn grote kasteel waar Lodewijk XIV in 1683 in het geheim trouwde en katholiek werd. In mijn eerlijkheid moet ik zeggen; ik heb het kasteel niet gezien. De helling het dorp uit was 12% “Wat mooi dat graaf Hugo Leeghwater vanuit een boekenkist in 1026 besloot om ons land met dijken en molens te beschermen tegen het gevaar van oprukkende heuvels en bergen…”.



Het was weer golven door het landschap. De verkeersdrempels werden voorzichtig en met beleid genomen (lijmtang) en het ging redelijk voorspoedig. Na dik 40 kilometer stop ik even; ik neem wat drinken en controleer de tang. De tang zit nog goed, maar mijn oog valt op de achterband. Op twee plekken prikt de binnenband door het rubber van de buitenband heen. Een wonder en een raadsel dat ik nog geen klapband heb.


Pelgrims zeggen wel eens en ik heb het al eens eerder opgeschreven “Wat je niet mee neemt, is mooi meegenomen.”. In dat kader heb ik geen reserve buitenband mee voor achter. De maat – 26 inch- die is –neem ik aan - overal wel redelijk goed verkrijgbaar. Ik heb een F-lite mee als reserve voorband, maar daar heb ik nu niets aan. Ik baal, zoveel tegenslag elke dag, pakt mijn stoeltje, zet maar een kop koffie en drink een paar slokjes.
Even niks…. Overpeinzen, de tijd nemen, heet zo iets…


Ik onderneem nog wel een poging om de band te repareren. Geen succes natuurlijk. Vlak na elkaar komen er twee fransen op racefietsen aan. Ze stoppen en ik leg het probleem uit. In Chatres, daar zijn mijn banden wel te krijgen, en heel misschien in Rambouillet ook wel. Maar hoe kom ik daar? Geen 3g bereik hier, dus een taxi bellen? Gaat niet lukken; heb geen nummer. Dan zegt Francis, de oudste van de twee “ Ach, weet je wat? Ik rijd wel naar mijn dorp terug. Dat is maar vijftien kilometer. Misschien heb ik nog wat thuis liggen. Als jij nu gewoon hier blijft zitten en niet wegloopt”. Er staan twee tranen in mijn ooghoeken. Niet uit verdriet, niet omdat ik zoveel pech heb, maar gewoon omdat ik zulke behulpzame Fransen tegen kom. Ik zeg tegen hem dat hij de rest van de week mijn held is, dat ik niet weet wat ik zeggen moet, maar dat ik oh, zo blij met hem ben.

Hij stapt op de fiets en zegt nog even “niet wegrijden he”. “Beloofd”, roep ik hem na. De jongere fietser zegt dat hij nog even een rondje gaat doen en dan weer terugkomt om te kijken of ik nog hulp nodig heb.

Ik pak mijn stoeltje, de laptop en ga midden in het bos dit stukje avontuur typen. Ik besluit om er maar weer een hele mooie dag van te maken.

Om kwart voor een komt Olivier - de jongste fietser - er aan. Kijken hoe het me vergaat. Francis, is nog niet terug. Olivier kijkt even bedenkelijk. “Ja, maar ja, als straks de winkels dicht gaan en Francis heeft niets, dan ben je ook niet geholpen he”. Hij belt zijn vrouw en vraagt of die nu langs de Carefour wil gaan om een 26” band te kopen. Dan kan nog net voor sluiting. We wisselen telefoonnummers uit. “Als Francis nu terugkomt, bel me dan even. Ik rijd nu naar mijn vrouw en haal de band voor je op”. De twee tranen komen ook weer even kijken; wat een lieve mensen hier. Ik zeg “okay, jullie zijn geweldig, dank!”.


Op het moment dat Olivier weg wil rijden scheurt er een knal oranje Renaultje 5 de bocht om. Het beeld is mooier dan in een Franse Komedie en nog echt ook. Francis stapt uit met twee buitenbanden; 26 inch. Een hele dikke – een MTB van wellicht een tractor – en een rank model dat waarschijnlijk eens om een damesfiets gezeten heeft. Het merk? “Made in Indonesia”. Maar ze past wel. Na wikken en wegen kies ik voor de ranke band. Met name omdat deze in elk geval vrij kan lopen in de wielkast.



In mum van tijd zit de band om de fiets; we nemen wat foto’s, wisselen E-mail adressen uit; ik pak mijn fiets weer in en vertrek.

De rest van de dag kom ik niet echt in mijn goede doen terug. Het klink gek; maar het voelt alsof ik boos ben op iemand (de Quest) en je doet niets met die boosheid omdat je weet dat die ander (de Quest) er ook niets aan kan doen. Ik heb meer oor voor de geluiden uit de fiets dan voor de omgeving. Al na tachtig kilometer kap ik er voor vandaag mee. Ik zit al ongeveer ten noorden (en vlak bij) Parijs. Morgen is er vast weer een mooie nieuwe dag. Elke dag pech. Murphey en ik vind het wel genoeg zo.



dinsdag 22 mei 2012

Vendôme - Chatres

Als een soort Pavlov reactie (maar dan anders) was het eerste waar ik naar keek vanmorgen het weer. Nog wel bewolkt en grijs, maar wel droog. Wauw… een opluchting. Er snel uit, eten (eindelijk weer een keer een redelijk ontbijt) en snel de stad in voor wat foto’s van het werkelijk alleraardigste plaatsje.




Daarna pak ik de fiets en hup, vrolijk op weg. Ik had mij voorgenomen om behoorlijk wat kilometers te maken vandaag. Gister en eergister waren het er immers maar weinig. In navolging tot wat Theo gister als reactie schreef; St. Jacob en St. Christopher straffen een dergelijke gedachte meteen af. “… Klaas, het is zo als het is; het komt zoals het komt...."

Bij het wegrijden merk ik meteen; er is wat mis. Elke trap gaat van ‘krrrrrr, krrrrrr, krrrrr’, niet mooi soepel; er zit ergens een weerstand die ik nog nooit eerder heb meegemaakt. Ik kan hem niet plaatsen en Peter is licht verbaasd als hij me om 9:00 uur aan de telefoon heeft. Hij weet (dank daarvoor) direct wat er aan de hand is. Het tandwiel onder de stoel. Speciaal uitgezocht in de Velomobielwinkel van Wim. Wellicht over het hoofd gezien bij de laatste controle in Dronten (?). Ik zoek voor de zekerheid een fietsenmaker op, zet mijn fiets bij hem op de stoep (hij is nog dicht), haal de bagage uit de fiets en inderdaad. Het tandwiel is aan de rechterkant uit zijn houder geschoten. “Ja”, zegt Peter, “het model wat nu geleverd heeft, zit aan beide kanten goed vast. Bij jou is blijkbaar de goot wat te breed geworden en dan kan hij er uit vliegen; een bekend probleem. Eventueel los je het op met een lijmtang aan de onderkant van de fiets”. Ik dank Peter voor zijn informatie en ben blij met zijn oplossing. Een lijmtang: die moet hier ook wel ergens te krijgen zijn. Eerst maar eens zien of hij er weer uit schiet. Ik repareer het spul en ga “on route”.

De weg is geweldig, de Quest fietst goed, maar toch. Ik luister minder naar de vogels en wat meer naar de fiets. Ik kan nog wel van de tocht genieten, zeker, maar het is wel anders. Na 35 kilometer vliegt het tandwiel weer uit de houder. Ik weet het zeker. Vandaag ga ik op zoek naar een lijmtang. Ik sta mooi stil aan de Loire (zo… wat is het prachtig hier) en repareer de fiets; maak mijn handen schoon en hopla; op naar Châteaudun.




Een wat grotere plaats (een fraai middeleeuws stadje) op 55 kilometer. De weg naar het centrum is “Barree” dus ik fiets om het centrum heen en vind een bar, restaurant. Na een stokbrood met ham, boter en augurk vraag ik of ze weten waar ik een “serre-joint” (oh leve het woordenboek op de iPhone) kan kopen. Er is – volgens hun - een Brico Marché op de route naar Chatres; daar moet het lukken. Ik vind niet wat ik zoek in de door hun aangewezen buurt en vraag opnieuw. Het hele complex (inclusief Inter Marché) schijnt een paar kilometer buiten het stadje opnieuw te zijn neergezet. Mij best, als ik maar een lijmtang snuif vandaag.

Na wat omrijden vind ik de Brico en de lijmtang (jippie een blauwe!). Voor de zekerheid neem ik er ook een mee voor het breken. Om de Quest extra te trakteren neem ik ook nog wat kettingolie voor haar mee. Ik zet de lijmtang vast op het grasveld voor de winkel. Bekijks trekt het wel. Kan me niets schelen, dit is het grote “Zen, en de kunst van het fietsonderhoud” (heb het boek niet eens gelezen, maar kan me er wel iets bij voorstellen).


De tang blijft goed zitten. Ik fiets verder en na 10 kilometer lukt het me om alles los te laten. De geluiden van de Quest; de tijd die ik vandaag “verloren” ben (onzin, het was best wel leuk zo); het aantal kilometers voor vandaag. De reis, daar gaat het om. En die, die is gewoon weer bere mooi. In Bonneval een alcohol vrij pilsje en een bezoek aan de kerk (tja, gewoon de deur stond open). De kerk valt me een beetje tegen, maar het glas in lood kleurt de vloer uit de 11e eeuw op een fantastische manier. De deur waait ook nog even open. Ik zie zo’n 1000 jaar voetstappen….





Na Bonneval wordt het landschap van mij. Licht glooiend (golvend) fiets ik door het koolzaad en het graan. Af en toe stop ik om de geuren op te snuiven en het landschap in te ademen. Ik bel nog even met mijn dochter; vragen hoe wiskunde is afgelopen. Het was pittig en ze is wel moe. Ik zeg; “ik stuur je straks een bosje bloemen van hier”. “Ach”, antwoord ze; “hoeft niet hoor het is wel goed met me”. Toch maak ik de foto en post ze hier voor haar.






Ik zit nu in Chatres aan zuidkant van de stad. In het meest vreselijke hotel “ever” (als je douched, is de w.c. ook gespoeld. Maar ja, het alternatief was 120 euro duurder). Na 110 km fietsen. Het was een mooie dag vandaag. Heel mooi. Jacob en Christopher hebben blijkbaar het beste met me voor.

maandag 21 mei 2012

Tours - Vendôme

Volgens mij ben ik nu een echte Pelgrim. Het voelt wel niet zo (of in elk geval voelt het niets anders) maar ik heb een deel van mijn bagage naar huis gestuurd. Dat schijnt elke Pelgrim te doen (wat je niet mee neemt, is mooi meegenomen). Het had niets met gewicht te maken; wel alles met volume.

Vanmorgen het rituele 8 uur ontbijt met vertrouwen weer opgepakt. Het regende nog wel wat, maar niet al te erg. Dat kon ook niet, want het zou droog zijn vandaag. Ik wilde vroeg in de fiets zitten om vandaag flink kilometers te maken.
Eerst de stad uit; langzaam over het natte fietspad (!) Tours uit (het miezert). Daarna weer ‘heerlijk’ kruipend uit het Loire dal. Het liep stroef, vanmorgen. Waarom weet ik niet, maar enige snelheid kon ik nergens ontdekken. Soms was dat logisch. Direct na de stad een helling van 16%. Het is maar 230 meter, maar je voelt hem wel. Sneller klimmen doe ik (zelfs na 9.300 meter hoogtewinst) zeker nog niet, ik houd het gelukkig wel langer vol. Ik heb niet meer het idee dat ik stoppen moet omdat mijn hoofd barst (of zo iets). Ik stop nog wel; maar enkel omdat ik dan heel hard “oh nee he…. nog niet boven” denk. Dit soort klimmetjes (een van 17,2% vertelt mijn hoogtemeter) zijn er vrij veel deze etappe. Mijn voorwielen slippen geregeld als ik aanzet en ik ben blij met mijn kleinste verzet.

Inmiddels is het miezeren omgezet naar fietsen in dichte mist. Dan helpt een pet zo goed als niet; de druppels hangen in de lucht en voor je het weet zetten ze zich vast aan je brillenglazen en aan je neus. Het is het bekende “ik blijf liever binnen vandaag” weer. Grijs en nat. Heel erg nat. Soms kan ik de verleiding niet weerstaan om snel toch een foto te maken. Snel omdat alles zo nat is, dat ik bang word dat mijn fraaie Lumix nog tijdens het fotograferen gaat roesten.




De regen wordt feller. Het zeiltje gaat er over. Het water klapt op de fiets. Ik trap gestaag – maar naar mijn idee toch traag – door. Na twee uur fietsen heb ik er een 35 kilometer opzitten. Voorwaar dat is niets. Zelfs in Frankrijk is dat mij te weinig. In Chateau – Renault vind ik geen kroeg of restaurant open; dicht of failliet…. Ik fiets langs een Lidl en een Carefour (officieel de eersten op de rit!). Helaas zit er geen klein cafétje bij. Ik vraag het nog even bij de kassière. Ze fluistert dat er in de Intermarché 2 kilometer verder op er wel een is en dat -als ik het niet verder vertel- je er ook nog lekker en goedkoop kunt eten. Ik zeg dat ik mijn mond houd en dat ik in ruil voor haar informatie het brood bij haar in de Carefour koop. Ze glundert als ik een stuk taart en 2 pain au chocolat (tja… calorieën he, die heb je nodig) bij haar afreken.

Met het stuk taart op schoot fiets ik verder. “….Het zal nu toch wel een keer droog moeten worden en dan ga ik toch ten aanval…”. Maar droog wordt het niet; het wordt alleen maar natter. Net buiten het dorp Auton ben ik het zat. Ik stop de fiets, doe of er niets aan de hand is en eet mijn verdiende stuk taart op bij kilometer 43 in de stromende regen. De koffie in mijn thermoskan is bijna nog te heet om op te drinken; een paar slokken dan gaat de deksel er weer op.

Drie kilometer later voel ik aan mijn sturen dat na 1300 kilometer er een lek zit in mijn achterband. Ah, denk ik, dus toch. Ik probeer de band om de fiets weg te halen en dat gaat zwaar. Vreemd zwaar. Waar ik normaal altijd genoeg ruimte heb om de band te “verwijderen” is het nu trekken en duwen. Mijn bagage. Ik heb aan die kant mijn zak met kleren gestouwd. Blijkbaar heb ik de binnenkant verder naar binnen gedrukt dan de makers van de fiets voor ogen hadden.


In de stromende regen verhelp ik het euvel; inspecteer de band op ongeregeldheden, wissel de binnenband en zal weer door fietsen. De Big Apple loopt aan. Aardig aan. Eigenlijk hetzelfde als in Bandaran. Ik besluit te stoppen en te kijken hoe de ‘Risse’ vlag er voor hangt. Op dat moment stoppen er twee Pelgrimisten uit Zwolle. Ze vragen of ze helpen kunnen. Graag zeg ik. Ik weet van mezelf dat ik de Risse moeilijk op 7 bar krijg; en een van de Zwollenaren ziet er flink wat sterken dan mij uit. Het lukt hem ook niet. “Tja”, denk ik ineens, “maar uh… feitelijk moeten we op deze manier met dat hele kleine pompje ook nog eens alle bagage optillen”. Ik weet niet eens of deze gedachte juist is. In elk geval zijn er nu twee opties: of ik haal de Risse los, pomp hem op en zet hem dan weer vast; of de fiets wordt aan de achterkant opgetild en dan pompen we hem op. Het wordt de laatste. Ik krijg de druk op bijna 7 bar en zeg dat het zo maar genoeg moet zijn. We kletsen nog een tijdje (wat een aardige mensen) en nemen dan in de stromende regen hartelijk afscheid van elkaar.

Het fietst merkbaar beter, maar het wiel loopt nog steeds wat aan. Na 500 meter stop ik weer. Verdeel de bagage anders en rijd verder met de slaapzak op mijn schoot. “Dit is niets” denk ik en ik overweeg om het slaapzakje (geen dure) weg te gooien. Mijn milieu geweten vind dit zonde en ik kom tot de constatering dat de slaapzak alleen het grote probleem niet eens verminderd. Ik heb qua volume te veel bagage mee. Het gewicht is wel te doen, maar ik stouw te veel. Zodra ik een postkantoor zie, zal ik kijken wat de mogelijkheden zijn.

Met slaapzak op schoot fiets ik verder door de regen. Zonder dekje. Ik ben tijdens “de pech” al zo ongelooflijke nat geworden dan een dekje me nu onzin lijkt. Ik neem me voor om dit gewoon niet erg te vinden en dat lukt. Het is geen mooie dag, maar daarmee nog geen rot dag. Marcelli en Beauce is een pracht dorpje. Ik stop en zet het kerkje met koolzaad op de foto: Het dorpje kan er ook niets aan doen dat het zulk een rot weer is.



Na bijna 80 kilometer steek ik de rivier de Loire over en rijd ik door de stadspoort Vendôme binnen. Wat een pracht stadje, wat een schoonheid! Een heuse kathedraal; een grote mooie toren; een eik uit 1765 en een restaurant dat gewoon open is.

In mijn natte koude kloffie duik ik het restaurant in en bestel een hamburger en een koffie (au lait). Ik “whats app” met mijn dochter en vertel hoe heerlijk het gaat en dat ik – als ik weer warm ben - toch nog wel een kilometer of 50 door wil gaan. Ze schrijft “dat is dom, in zoveel regen, hebben ze daar geen hotel of zo”. Voor ik reageer kijk ik even stiekem op Bookings.com. Hotels genoeg; op nog geen 200 meter en niet duur. Ik schrijf terug: “Dank je, Jente, dit zetje had ik net even nodig, ik ga kijken of ze plek hebben”.

Het hotel heeft plek; in de nog stromende regen breng ik mijn tent, slaapzak en nog wat volume naar het postkantoor zodat de Quest morgen weer haar oorspronkelijke vorm terug heeft. Het blijft maar door plenzen. Ik hoop dat het morgen wel droog is, ook omdat ik dan nog wat foto’s kan maken van dit hele fraaie stadje.