Posts tonen met het label lek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label lek. Alle posts tonen

dinsdag 11 november 2014

Alles anders dan gedacht.

Vanmorgen bij het opstaan al zin in een pittig rondje. Eerst mijn werk af (zo sprak Calvijn) en dan hup..  dan de wijde wereld in. Pracht fiets weer. De zon kleurt de wereld met strijklicht in; de wind blaast met kracht 4 uit het zuiden en de temperatuur is “best genôg”.
Om elf uur ben ik klaar. Met de fietskleren aan merk ik dat de zon verdwenen is. Het is grijs buiten. Een compact wolkendek bedekt de hemel en de zon heeft geen kracht om er door heen te breken.
"He, bah…" ik heb geen zin in een koude grijze fietstocht en loop terug naar binnen. Daar drentel en aarzel ik wat. “Wel, niet, wel, niet…. en zo ja, waarlangs dan…. “ Ik besluit dat het dan maar het rondje Sneekermeer moet worden. Geen tocht voor het “grote genoegen”, maar het conditierondje.

Ik duw de fiets uit te steeg en nu is links voor plat. Ook dat nog… bah… De banden die me lekvrij Frankrijk door hielpen zijn zo goed als op. Ik kleed me om en loop naar de fietsenmaker voor twee nieuwe Marathons. Waarschijnlijk nog steeds niet de snelste banden van het continent, maar vrijwel nooit lek is me veel waard. Ik pomp ze op tot de geadviseerde 5 bar. De vorige stonden meestal op 7 bar; zou sneller zijn. Vooral bij klinkers.

Terwijl ik de tweede band verwissel breekt de zon door. Het oorspronkelijke plan wordt opgepakt. Het Tjeukemeer rond. Via de pont bij Langweer en dan beschut door het bos naar St Nicolaasga om via Follega en Oosterzee het grote platte meer te ronden.  Na Echtenerbrug wil ik de Tjonger weer bezoeken. Vorige week had ik gezien dat aan de andere kant van het riviertje ook een nog onbekend fietspad liep: op ontdekkingsreis dus.

Ik ben de stad nog niet uit en bedenk plots dat mijn beurs nog thuis ligt. Zit in mijn andere jas. "Jeetje, de pont... dat lukt dus niet, die kost een euro". Dan toch maar het Sneekermeer? Twee keer het saaie rechte stuk naar Joure heb ik geen zin in. Op het laatst besluiten mijn handen om niet  naar links (Sneekermeer) maar  naar rechts te sturen. De rondweg langs, een stuk stad door en dan richting Hommerts en Woudsend. Kan bij Follega het oorspronkelijke plan weer worden opgepakt.

In de woonwijk de stad uit rijd ik twee keer verkeerd en de eerste twintig minuten zijn ruim voorbij als ik het idee heb dat de fietstocht echt begint. Hommerts en Woudsend gaan rap en gedachteloos; elke meter is bekend. Een schip kruist de route bij Spannenburg. Het keurig recht gegraven kanaal is verder leeg en lost aan de einder op in het Slotermeer.


Bij Oosterzee Buren kies ik ervoor – omdat het zo heerlijk weer is - om niet stiekem over N294 te scheuren maar om braaf en traag door het dorp te rijden. Vanaf het talud van de A7 laat ik me naar beneden glijden, zet het dorp nog even op de kiek en sta dan eigenlijk direct stil. Een bord “doorgaand verkeer gestremd”, midden op de weg. Daarachter steken net twee gele helmen boven de grond. Dit is spannend. Terug mag niet; rechtdoor kan niet. Ik vraag een van de helmen of ik ergens anders langs kan. “Ja”, grapt hij, “neem een aanloop en dan met je linkerwiel over mijn helm heen, dan red je het wel Zijn collega reageert met een “He, he, daar heb je hem weer..”  en legt uit dat ik ook over het erf van de boer mag rijden. “Ah”, antwoord ik, “dan probeer ik eerst die optie wel”. Ik groet de heren, wens ze een mooie dag en vind het wel mooi dat je zomaar, zonder problemen over iemands erf mag rijden als de overheid met de weg bezig is. “Kan volgens mij alleen in een dorp…” denk ik als ik in gedachten de boer groet. 


Na Echtenerbrug – om precies te zijn in Delfstrahuizen -  fiets ik over het parkeerterrein van het sportpark naar boven, het kleine dijkje op, langs de Pier Christiaanssleat. De – brede – sloot verbind de Tjonger met het Tjeukemeer en is de scheiding tussen de twee dorpen. Het pad op de dijk is smal. Met één wiel in het sompige gras en één wiel op het schelpenpad komt de snelheid niet boven (een leuke) 13 kilometer per uur. Ik vraag me af wie die Pier geweest is, zoek het thuis op, maar zelfs Wikipedia kan me niet helpen. De drumband heet PCB (Pier Christaans Band), maar is volgens een van de leden vernoemd naar de sloot. Dus dat schiet ook niet op.




Langs de Tjonger wordt het pad weer een weg. Ik fiets in een polder. Het riviertje zie ik niet, die stroomt een meter of wat boven mijn hoofd aan de andere kant van de dijk. De weg is minder mooi dan het pad aan de overkant; wat slordige huizen aan ‘een soort van eind’ van de wereld.

In het grasland ganzen en zwanen in sloot. Het pedaleert vredig. Ik fiets langs het Easter Skar, een prachtig laagveenmoerasgebied dat ontgonnen (“opgelost”) zou worden in de zestiger jaren. De graafmachines stonden al klaar, alleen omdat de economie aantrok waren er in Heerenveen geen werklozen meer voor de noeste arbeid in het moeras (met dank aan Batavus). Ik fiets een straatje om voor een bezoek aan de vogelhut de Skiere Goes. Het Skar ligt er fraai bij; vogels zijn er niet. De wind waait stevig over de lengterichting van  het meertje; er is geen beschutting. Twee week geleden stond hier een witte reiger vijf meter voor mijn neus vandaan. Het hoort niet zo; maar ze was te mooi om hier niet te posten.





Na Joure fiets ik “het segment” in, niet van plan om de snelste tijd aan te vallen. De Quest wil en gaat echter steeds harder. Bij de brug over de Langweerder Wielen kruipt mijn kruissnelheid naar de 40; het gemiddelde is met 35km per uur nog niet echt hoog. “Als ik mijn best doe, dan lukt het Klaas” en ik zet aan. Tot het Margrietkanaal houd ik de 43 met redelijk gemak vast. Daarna zakt het tempo naar beneden (oh.. die brug omhoog….. grrr….). Ik gok dat als ik tot Sneek boven de 37 blijf trappen er een nieuw record aan komt. De bochten halen de snelheid er een paar keer uit (terug naar de 20) maar de nieuwe Schwalbes accelereren op 5 bar lichter dan ik verwacht had. Met andere woorden: de drie seconden die ik nodig had, zijn eenvoudig gehaald.


zaterdag 1 november 2014

Traag de wereld door

Lighans schreef naar aanleiding van mijn verhaal over segmenten en records een fraaie tweet “Patser, zonder het te willen zijn”. Ik antwoordde “psst… je hebt me door, niet verder vertellen he”.

Zo, dat is er uit. Kieft had een heel boek nodig heeft en ik bovenstaande zin. Nu kan het afkicken beginnen. Om 12 uur pak ik de fiets. “Je hoeft niet snel, Klaas, je hoeft niet snel, de wereld is geen aaneenschakeling van segmenten”.  De start is zeker niet snel. Langzaam rol ik mijn fiets de straat op. Rechts voor; lek. Sinds april 2012 zit deze Marathon om het wiel. Nu – na dik 9000 km – z’n eerste lek. Niet slecht. De band wordt snel verwisseld en ik peuter een stukje glas uit de buitenband. Omdat ik nog thuis ben plak ik de binnenband meteen en na een kwartiertje hup, op pad.

Eerst naar Joure, dan binnendoor via Ouwsterhaule naar Oldeouwer aan de oever (ouwer) van het Tjeukemeer. Ik stop even en maak een foto van de begraafplaats. Het is er vredig stil. In de lucht wat ganzen en verder op een kakelende haan. Dat is alles.


De begraafplaats stamt uit de 17e eeuw. Rond 1800 verdween de kerk en werd hij vervangen door de klokkenstoel. Daarin hangt nu een klok uit 1952 (gegoten in Heiligerlee, waar anders) met de tekst “Myn lûd nij. Ald myn bea. Frede oer it Ouster Gea  (Mijn geluid is nieuw, oud mijn bede, vrede over het Ouwster landschap.)

Met die vrede hier zit het wel goed, mijmer ik als ik de Quest weer op gang help. Het Tjeukemeer zie ik nauwelijks. Ik rijd onder het dijkje door dat het meer tegenhoud. Het fietst lekker. Rohel, het buurtschap Fjouwerhûs en Delfstrahuizen worden vlot achter elkaar doorkruist. Dan richting Langelille. Heerlijk langs het laatste stuk van de Tjonger. De wereld wordt vanaf hier steeds stiller. Bij Slijkenburg is de Tjonger op en volg ik de weg langs het mooie meanderende riviertje de Linde. Veel vogels met in de verte een aantal zilverreigers.




Vanaf Driewegsluis volg ik een kilometer lang het fietspad. Een niet al te breed pad, maar men kan me passeren. “Is dit wel goochem? Zo’n brede fiets? Het is hier heel druk”. Snauwt een dame me zuur in onversneden Weststellingwerfs toe. Ik antwoord opgewekt met “Wat een pracht dag vandaag, is het niet?” en rijd heerlijk traag door.




Thuis had ik de hoop dat het fietspad bij Nijetrijne langs de Helomavaart te bequesten was. Het ziet er geweldig uit, maar mijn spoorbreedte is breder dan het schelpenpad. Het wordt omfietsen. Niet erg. De wereld is hier overal mooi. Hier heb ik nog nooit gefietst. Ik koers richting het pondje van Rotstergaast. Ben er altijd van uitgegaan dat dit pondje niet geschikt was voor mijn fiets. Vanmorgen op het internet gezocht naar de dienstregeling en naar een foto van het veer. De pont is zelfbediening (draaien aan een lier) en de enige foto die ik tegenkwam was uit 2002. Als het nog hetzelfde pontje is, dan lukt het wel.

Ik fiets – wederom over een schelpenpad – langs het Brandemeer. Een fraai gebied van petgaten en riet. In het water dobberen vele eenden, in de weilanden ernaast maken duizenden ganzen zich klaar voor hun grote tocht. Ineens vliegen een twintigtal zwanen vlak over mijn hoofd. Wat een wereld! 




Zelf als ik niet met de pont over kom is de route een parel.

De pont ligt aan de overkant en de lier is goed voor de armspieren. De fiets rijd er met gemak op en af. Zelfs makkelijker dan mening "bemand" veer. Langs het Easter Skar (wat wonen er vandaag veel ganzen) en dan is het vrijwel “weer naar huis fietsen”. 




Hard gaat het niet meer. Zelfs het laatste stukkie Joure – Sneek niet. Dat is me dus keurig gelukt.


maandag 6 mei 2013

Het nadeel van (bijna) nooit lek


Het fietsen begint weer een (heerlijk) onderdeel van de werkweek te worden. Op het moment zijn er twee projecten. Een in Leeuwarden en een in Dokkum. Dokkum is met de auto vrijwel even ver als Utrecht of Amsterdam. Met de fiets is het vijftig kilometer. Een snelle route is het niet. Zeven kilometer door Leeuwarden haalt de vaart er aardig uit.

Vorige week woensdag had ik om half vijf een vergadering in Damwoude (net onder Dokkum). Het was mooi weer en dat zou het blijven. Als ik voor mijn werk fiets, neem ik altijd wat extra tijd mee. Wat tijd om me te verkleden en op te frissen en tijd om een klein ongemak met de fiets te repareren.

Twee uur van de voren pak ik de fiets uit de schuur. Rechts voor staat treurig leeg. Lek. En dat werd bijna tijd ook. De Schwalbe Marathons heb ik er precies een jaar geleden om gelegd. Ze hebben over het gravel van Spanje gereden, ze zijn over de kasseien van Noord Frankrijk gestuiterd, ze gleden geruisloos langs de Dender in België en reden behoorlijk vaak van Sneek naar Leeuwarden. In totaal een 6500 kilometer zonder enig lek.

De band laat zich eenvoudig van de velg halen. Direct zie ik het gat in de binnenband. Ik besluit te plakken. Nu weet ik waar het lek zit en als ik de band opberg moet ik later zoeken. Alles gaat prima; ik twijfel alleen over de kwaliteit van de Solution. Die tube is ook meer dan een jaar open; een nadeel dat je alleen maar hebt als je nooit lek rijd. Ik controleer de buitenband op steentjes; haal er een paar uit en zie dat een stukje glas de veroorzaker van het “leed” is.

Bij Reduzum schiet het me opeens te binnen dat er hard gewerkt wordt aan de “Haak om Leeuwarden”. Ik vraag me af of de meest logische route wel “fietsbaar”  is. Ik gok dat via Wirdum wel lukt; een verkeerd gok. In het dorp aangekomen blijkt dat ik niet meer onder de Waldwei door kom. Terug dus; een kilometer of drie…  weer een stukje extra tijd achterlatend bij de stoplichten van de A32.

Als ik Leeuwarden in rijd blijkt dat Solution inderdaad beperkt houdbaar is. In de voorband is de druk deels verdwenen. Twee kilometer verderop (en op mijn route) is de prima winkel Liever Ligfietsen. Ik besluit daar mijn band te plakken; als de buitenband niet meer goed is, kan ik direct een nieuwe kopen.
De bandenwissel heeft iets van een pitstop. Hup; snel op de kant, band eraf, winkel in, nieuwe binnenband erom (buitenband kon nog wel) en weer verder. De rekening wordt per Email verzonden. Wat een service!

Weer is er een stuk van mijn tijd weg. Ik hoef me nog geen zorgen te maken, maar een beetje doortrappen met wat haast erbij kan geen kwaad. Leeuwarden door gaat goed. Ik steek de noordelijke rondweg over en zie dan opeens het bordje Burdaard. “Hee, daar moet ik heen”. Ik ben een beetje in de war “daar ligt Lekkumerend toch niet? hoe rijd ik nu de stad uit.” Het blijkt dat ik aan de andere kant van de Dokkumer Ee fiets. Het plaatsje Lekkum zie ik aan de overkant liggen.


Het fietspad is wel mooi, een voormalig jaagpad. Het fietst niet snel (25 per uur) maar slingert wel fraai langs het water. Gezien zijn voorliefde voor dik doortrappen kan ik met niet voorstellen dat dit het pad is wat Marcel Prins neemt om op zijn werk te komen. 
Een paar kilometer verder weet ik het zeker. Hier komt geen Quest. Bij de Cornjumervaart moet ik een wandelbrug over die niet zonder schade te nemen is. Te stijl omhoog en te stijl naar beneden. Ik overleg even met een wandelaarster hoe de weg er verderop uit zie. “Tja”, zegt ze, “je krijgt straks natuurlijk ook nog het bruggetje van Bartlehiem, en die is identiek aan deze he”.



Ik besluit dat terug toch de beste optie is. Het waait aardig; de wind is koud en mijn fiets in en uit, daar heb ik geen zin in. Ik bel dat ik te laat kom (grrrrr... stom) en fiets vier kilometer later Leeuwarden weer door. Omdat ik laat ben lijkt de wind opeens ook harder te waaien. Als ik mijn fiets uitstap blijkt dat de vergaderplek veranderd is. Pas om vijf uur schuif ik met een “sorry, sorry” aan.



Vanmorgen weer lekker heen en weer naar Leeuwarden. Vanavond trakteert het fraaie weer me op nog een extra stukje over bekende wegen ten zuiden van Sneek. Toch heb ik het idee dat de Quest nog niet in vorm is. Hij rolt minder fraai en zakt als ik even niet trap snel terug naar onder de dertig. Ook denk ik dat het binnenkort wel tijd is voor nieuw schoeisel. Ik weet nog niet of ik vasthoud aan de Schwalbe Marathons. Deze pomp ik op tot 6,5 bar om ook op klinkers een beetje vlot te kunnen rijden. Het schijnt dat de Marathon Plus tegenwoordig ook een alternatief is. Ervaring? ik hoor het graag.  




Het fototoestel om mijn nek zorgt ervoor dat ik me niet irriteer aan het trage rollen. Ik fiets zonder haast langs Westhem en de Aldegaester Brekken  en geniet van de zonnestralen, de geuren en de frisse kleuren onderweg. 

zondag 16 september 2012

Het IJsselmeer rond

Het moest er maar weer eens van komen: een fikse tocht vol kilometers. De meeste afstanden in de Quest zijn tegenwoordig woon- werk verkeer. Heen en weer Leeuwarden. Ik maak op die manier wel de kilometers; een randonneur wordt je er niet van. Gister tijdens het weerbericht kwam het idee bovendrijven voor een rondje IJsselmeer. Vanmorgen net voor zeven uur er uit en om kwart voor acht de fiets in. Een stevig ontbijt en voor de zekerheid twee extra buitenbanden in de fiets. Vorig jaar heb ik de tocht twee keer gefietst; de eerste keer zeven keer lek; de tweede keer twee keer. Veel vertrouwen in deze tocht zonder pech heb ik niet.

Voor de afwisseling fiets ik nu de andere kant om. Dit keer eerst de afsluitdijk (dan heb je die in elk geval maar gehad). Het weer was net wat anders dan voorspeld. Wat meer mooie zon (prachtig) en wat meer wind tegen (minder prachtig). De eerste kilometers tot de afsluitdijk gaan niet al te snel. Bolsward met haar vele klinkers; het slecht wegdek tussen Witmarsum en Zurich. Ik ben blij met een gemiddelde van boven de 30.




Ondanks de redelijk felle wind tegen loopt de afsluitdijk vrij voortvarend. Een kruissnelheid van 36. Verder zijn deze bijna 30 kilometers vooral plichtmatige kilometers. Echt mooi is de dijk niet; veel sturen is ook al niet nodig. Blik letterlijk op oneindig (of beter: op de einder) en het verstand op nul. De enige afwisseling is het inhalen van een groepje hardfietsers (Frisia uit Leeuwarden). Op de claxon wordt niet gereageerd, dan maar de stem erbij “Heren… of harder fietsen, of aan de kant… dit is niets, natuurlijk…” Met vriendelijk gemor mag ik er langs.

Na de afsluitdijk langs het Robbenoordsbos en het Dijkgatsbos. De grote afwisseling en de heerlijke schone stilte na het lawaai van de afsluitdijk.


In Medenblik is het feest. Ik weet niet waarom en weet ook niet of het er iets mee te maken heeft, maar in het luchtruim een bijzonder vliegtuig onder begeleiding van twee kleintjes. Thuis hoef ik alleen maar het “kenteken” van het vliegtuig in te typen en ik weet dat het hier om een Antonov 2t (1948) gaat. Ooit in de trotse Sovjet Unie ontwikkeld, met name voor de landbouw (traag; makkelijk en vrijwel overal landbaar; geen ingewikkelde tankprocedures; daar is dus echt over na gedacht). Dit exemplaar heeft de thuishaven in Oost Duitsland. Waar ze naar toe gaan? Geen idee. Imposant is het schouwspel wel.

Na Medemblik het fraaiste fietsstukje van vandaag. Een smal fietspad slingert boven op de dijk met altijd mooie vergezichten over het water. Snel is het allemaal niet, het geniet er des te meer.



Na Enkhuizen in een mooi tempo van rond de 40 naar Lelystad. Om half twaalf een ruime lunch bij Check Point Charly (ja zo heet het daar); halverwege de dijk naar Lelystad. Je zit hier precies op de helft van de tocht. Vorig jaar zat ik hier twee keer. Ik word zowaar door het personeel herkend (aan mijn fiets, zucht, dat wel). De pauze is zeer welkom.


Met Lelystad heb ik meestal ruzie. Of ik verdwaal er of ik verknal er mijn banden (vorig jaar 7 keer lek na een stuk “gravel” bij Lelystad). Nu rijd ik er lek. Net na de dijk. Ik hoor de band sissen. Nog even hoop ik dat het geluid uit een schip vlak bij me komt, maar als ik een paar minuten later de fiets op de zijkant zet weet ik zeker dat het niet een schip was. Het gat in de binnenband is groot en het canvas van de Big Apple vertoont diverse slijtplekken.
Voor de tweede keer ben ik super blij met de 26" Schwalbe Marathon. De eerst keer toen ik hem vond in Compiegne (bij Parijs). Nu knijp ik in mijn handen dat ik het rubber vanmorgen in mijn fiets gestopt heb.

Vreemd genoeg zit de Risse schokdemper los. De vleugelmoer is weg. Ik speur de klinkers af maar vind niets. Als ik de band vervang zie ik – gelukkig – de moer in de beschermkap van de derailleur. Ik ben al lang blij dat ik hem weer heb en vraag me af of ik zonder die moer nog wel had kunnen fietsen.

De Marathons voor pomp ik op tot 7 Bar. Weet eigenlijk niet met hoeveel “wind” de achterband het lekkerste rolt. De Big Apple had ik op 4,5 Bar. Deze zet ik op iets meer dan vijf. Ik weet het niet. Trager dan de Big Apple is hij wel. Ik merk dat mijn kruissnelheid een 2 tot 3 kilometer langzamer ligt.

Na Urk is er de keus voor de dijk tegen het water aan of de weg achter de dijk. Kijkend naar de wind zou de laatste optie de beste zijn. Ondanks het feit dat ik de kilometers in mijn kuiten merk, kies ik voor “mooi” en niet voor “comfortabel”. Vanaf Kornwerderzand heb ik eigenlijk de hele route (okay… bij Enkhuizen even niet) het meer voortdurend aan mijn linkerhand gehad en dat wil ik tot Lemmer zo houden. Het grootste nadel van deze route zijn de buizen die over het fietspad lopen. Elke keer terug naar 15km per uur om zonder problemen deze obstakels te nemen.

In Lemmer drink ik nog wat en vanaf hier is het gewoon naar huis. In Folsgare staat de brug open; in Sneek – natuurlijk – ook.


Iets voor half vijf ben ik thuis. Mijn gemiddelde staat op 34,2 km/u. Ben ik wel tevreden mee. Of het lekker was? Nah… kweet niet. In mijn voet en in mijn kuiten heb ik de laatste dertig kilometer een paar keer kramp gehad. Helaas hoort dat bij me, maar lekker is het niet. Een randonneur?? Nee joh, dat word ik nooit. Maar die ambitie was er toch al niet.


woensdag 23 mei 2012

Chatres - Epône

Je gelooft het niet. 12:00 uur en ik zit hier al een tijdje op een campingstoeltje midden in het bos. Het weer is prachtig, de vogels zingen mooi, het bos fraai en vrij open er zijn wel wat teveel vliegjes en mijn achterband is zo goed als overleden.

Het “bio-industrie-hotel” waar ik sliep had nog een overeenkomst met de Refugio’s van Lenie: Vroeg wakker. Het was niet het opstaan van de mede Pelgrims waardoor je gewekt werd maar het kabaal van de snelweg een 75 meter verder op. Een zicht locatie heet zoiets, geloof ik, en daar betaal je dan meer voor. Vanaf zeven uur wordt het ontbijt geserveerd en ik zat dus vanaf zeven uur aan het ontbijt. Daarna nog even snel douchen, pakken, lijmtang onder de fiets en op weg. Zonder plan, wel een doel (dat is Sneek) en hopen dat we deze dag eindelijk een keer pech-vrij doorkomen.

Eerst Chatres door. Ik denk dat het een mooie stad is. Ik heb er niet al te veel van gezien. Druk, opletten en weinig kans op rond te kijken. Het zou me niets verbazen als ik de grootste cultuurbarbaar van alle Pelgrims ben. De steden? Ik ben alleen maar blij als ik er door ben. En vaak lees ik ’s avonds nog even na wat ik allemaal gemist heb vandaag. Zo ben ik vandaag al door Maintenon (ik vroeg met af of dat “nu niet” betekende) gefietst. Bekend om zijn grote kasteel waar Lodewijk XIV in 1683 in het geheim trouwde en katholiek werd. In mijn eerlijkheid moet ik zeggen; ik heb het kasteel niet gezien. De helling het dorp uit was 12% “Wat mooi dat graaf Hugo Leeghwater vanuit een boekenkist in 1026 besloot om ons land met dijken en molens te beschermen tegen het gevaar van oprukkende heuvels en bergen…”.



Het was weer golven door het landschap. De verkeersdrempels werden voorzichtig en met beleid genomen (lijmtang) en het ging redelijk voorspoedig. Na dik 40 kilometer stop ik even; ik neem wat drinken en controleer de tang. De tang zit nog goed, maar mijn oog valt op de achterband. Op twee plekken prikt de binnenband door het rubber van de buitenband heen. Een wonder en een raadsel dat ik nog geen klapband heb.


Pelgrims zeggen wel eens en ik heb het al eens eerder opgeschreven “Wat je niet mee neemt, is mooi meegenomen.”. In dat kader heb ik geen reserve buitenband mee voor achter. De maat – 26 inch- die is –neem ik aan - overal wel redelijk goed verkrijgbaar. Ik heb een F-lite mee als reserve voorband, maar daar heb ik nu niets aan. Ik baal, zoveel tegenslag elke dag, pakt mijn stoeltje, zet maar een kop koffie en drink een paar slokjes.
Even niks…. Overpeinzen, de tijd nemen, heet zo iets…


Ik onderneem nog wel een poging om de band te repareren. Geen succes natuurlijk. Vlak na elkaar komen er twee fransen op racefietsen aan. Ze stoppen en ik leg het probleem uit. In Chatres, daar zijn mijn banden wel te krijgen, en heel misschien in Rambouillet ook wel. Maar hoe kom ik daar? Geen 3g bereik hier, dus een taxi bellen? Gaat niet lukken; heb geen nummer. Dan zegt Francis, de oudste van de twee “ Ach, weet je wat? Ik rijd wel naar mijn dorp terug. Dat is maar vijftien kilometer. Misschien heb ik nog wat thuis liggen. Als jij nu gewoon hier blijft zitten en niet wegloopt”. Er staan twee tranen in mijn ooghoeken. Niet uit verdriet, niet omdat ik zoveel pech heb, maar gewoon omdat ik zulke behulpzame Fransen tegen kom. Ik zeg tegen hem dat hij de rest van de week mijn held is, dat ik niet weet wat ik zeggen moet, maar dat ik oh, zo blij met hem ben.

Hij stapt op de fiets en zegt nog even “niet wegrijden he”. “Beloofd”, roep ik hem na. De jongere fietser zegt dat hij nog even een rondje gaat doen en dan weer terugkomt om te kijken of ik nog hulp nodig heb.

Ik pak mijn stoeltje, de laptop en ga midden in het bos dit stukje avontuur typen. Ik besluit om er maar weer een hele mooie dag van te maken.

Om kwart voor een komt Olivier - de jongste fietser - er aan. Kijken hoe het me vergaat. Francis, is nog niet terug. Olivier kijkt even bedenkelijk. “Ja, maar ja, als straks de winkels dicht gaan en Francis heeft niets, dan ben je ook niet geholpen he”. Hij belt zijn vrouw en vraagt of die nu langs de Carefour wil gaan om een 26” band te kopen. Dan kan nog net voor sluiting. We wisselen telefoonnummers uit. “Als Francis nu terugkomt, bel me dan even. Ik rijd nu naar mijn vrouw en haal de band voor je op”. De twee tranen komen ook weer even kijken; wat een lieve mensen hier. Ik zeg “okay, jullie zijn geweldig, dank!”.


Op het moment dat Olivier weg wil rijden scheurt er een knal oranje Renaultje 5 de bocht om. Het beeld is mooier dan in een Franse Komedie en nog echt ook. Francis stapt uit met twee buitenbanden; 26 inch. Een hele dikke – een MTB van wellicht een tractor – en een rank model dat waarschijnlijk eens om een damesfiets gezeten heeft. Het merk? “Made in Indonesia”. Maar ze past wel. Na wikken en wegen kies ik voor de ranke band. Met name omdat deze in elk geval vrij kan lopen in de wielkast.



In mum van tijd zit de band om de fiets; we nemen wat foto’s, wisselen E-mail adressen uit; ik pak mijn fiets weer in en vertrek.

De rest van de dag kom ik niet echt in mijn goede doen terug. Het klink gek; maar het voelt alsof ik boos ben op iemand (de Quest) en je doet niets met die boosheid omdat je weet dat die ander (de Quest) er ook niets aan kan doen. Ik heb meer oor voor de geluiden uit de fiets dan voor de omgeving. Al na tachtig kilometer kap ik er voor vandaag mee. Ik zit al ongeveer ten noorden (en vlak bij) Parijs. Morgen is er vast weer een mooie nieuwe dag. Elke dag pech. Murphey en ik vind het wel genoeg zo.