Posts tonen met het label regen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label regen. Alle posts tonen

maandag 15 oktober 2012

Tochtstrip

Vanmorgen in het donker mijn bed uit. Fietskleren aan. Het zou redelijk goed weer zijn vandaag. Bij het ontbijt regent het. Terwijl ik het water op de tegels omhoog zie spatten geeft de buienradar aan dat het droog is en nog wel even droog zal blijven. De wind is fors; in elk geval 5 met uitschieters naar 7. Ik overweeg om mijn fietskleren voor de luxe van de auto om te ruilen. Het weekend was echter zo lui geweest dat ik met schaamte achter het autostuur zou zitten. Elke hap van mijn boterham geeft een andere uitkomst; auto – fiets; auto – fiets. Als het ontbijt achter de kiezen zit, sta ik op met het doel om me te verkleden. Het “voorgenomen besluit” is ‘auto’. In de hal denk ik “kom op, ik ben niet van suiker”, loop terug de kamer in en pak resoluut de fietsspullen, zoen / groet iedereen en ga op pad.

Heerlijk dus. Voor het eerst dit jaar weer eens koude oren; m’n Iceberg shirt houdt me verder comfortabel warm. Wind is er genoeg (schuin tegen). Soms het gevoel dat het meer zeilen dan fietsen is. Op een paar spetters na blijft het droog. Ik geniet van de tocht en voel me heerlijk fit als mijn fietsshirt omruil voor colbert.


Terug kijk ik weer op de buienradar. Het komende uur is er geen bui te zien. De wind is wat gedraaid (van Noord West naar West). Geen voordeel vandaag. Geeft niet, maakt in een Quest echt niet uit. Hard trappen om een ferme bui te ontlopen. Een bui die er niet zou zijn. Even snel met de iPhone een panorama foto gemaakt. Te snel zal blijken; de horizon golft er over.

Het lukt me om droog over te komen. Vorig jaar was de “tochtstrip” een hit. Ik had er voor de Camino een aangeschaft in “Willems Winkel”. Die is er af. Hij bleef niet goed zitten en wat nog erger was. De witte strip verkleurde in de Spaanse zon tot vies nicotine geel (en kreeg al snel de naam tochtstrop). Of ik er een nieuwe opzet? Nah… ben ik nog niet over uit, denk het niet. Of ben ik de enige?

maandag 21 mei 2012

Tours - Vendôme

Volgens mij ben ik nu een echte Pelgrim. Het voelt wel niet zo (of in elk geval voelt het niets anders) maar ik heb een deel van mijn bagage naar huis gestuurd. Dat schijnt elke Pelgrim te doen (wat je niet mee neemt, is mooi meegenomen). Het had niets met gewicht te maken; wel alles met volume.

Vanmorgen het rituele 8 uur ontbijt met vertrouwen weer opgepakt. Het regende nog wel wat, maar niet al te erg. Dat kon ook niet, want het zou droog zijn vandaag. Ik wilde vroeg in de fiets zitten om vandaag flink kilometers te maken.
Eerst de stad uit; langzaam over het natte fietspad (!) Tours uit (het miezert). Daarna weer ‘heerlijk’ kruipend uit het Loire dal. Het liep stroef, vanmorgen. Waarom weet ik niet, maar enige snelheid kon ik nergens ontdekken. Soms was dat logisch. Direct na de stad een helling van 16%. Het is maar 230 meter, maar je voelt hem wel. Sneller klimmen doe ik (zelfs na 9.300 meter hoogtewinst) zeker nog niet, ik houd het gelukkig wel langer vol. Ik heb niet meer het idee dat ik stoppen moet omdat mijn hoofd barst (of zo iets). Ik stop nog wel; maar enkel omdat ik dan heel hard “oh nee he…. nog niet boven” denk. Dit soort klimmetjes (een van 17,2% vertelt mijn hoogtemeter) zijn er vrij veel deze etappe. Mijn voorwielen slippen geregeld als ik aanzet en ik ben blij met mijn kleinste verzet.

Inmiddels is het miezeren omgezet naar fietsen in dichte mist. Dan helpt een pet zo goed als niet; de druppels hangen in de lucht en voor je het weet zetten ze zich vast aan je brillenglazen en aan je neus. Het is het bekende “ik blijf liever binnen vandaag” weer. Grijs en nat. Heel erg nat. Soms kan ik de verleiding niet weerstaan om snel toch een foto te maken. Snel omdat alles zo nat is, dat ik bang word dat mijn fraaie Lumix nog tijdens het fotograferen gaat roesten.




De regen wordt feller. Het zeiltje gaat er over. Het water klapt op de fiets. Ik trap gestaag – maar naar mijn idee toch traag – door. Na twee uur fietsen heb ik er een 35 kilometer opzitten. Voorwaar dat is niets. Zelfs in Frankrijk is dat mij te weinig. In Chateau – Renault vind ik geen kroeg of restaurant open; dicht of failliet…. Ik fiets langs een Lidl en een Carefour (officieel de eersten op de rit!). Helaas zit er geen klein cafétje bij. Ik vraag het nog even bij de kassière. Ze fluistert dat er in de Intermarché 2 kilometer verder op er wel een is en dat -als ik het niet verder vertel- je er ook nog lekker en goedkoop kunt eten. Ik zeg dat ik mijn mond houd en dat ik in ruil voor haar informatie het brood bij haar in de Carefour koop. Ze glundert als ik een stuk taart en 2 pain au chocolat (tja… calorieën he, die heb je nodig) bij haar afreken.

Met het stuk taart op schoot fiets ik verder. “….Het zal nu toch wel een keer droog moeten worden en dan ga ik toch ten aanval…”. Maar droog wordt het niet; het wordt alleen maar natter. Net buiten het dorp Auton ben ik het zat. Ik stop de fiets, doe of er niets aan de hand is en eet mijn verdiende stuk taart op bij kilometer 43 in de stromende regen. De koffie in mijn thermoskan is bijna nog te heet om op te drinken; een paar slokken dan gaat de deksel er weer op.

Drie kilometer later voel ik aan mijn sturen dat na 1300 kilometer er een lek zit in mijn achterband. Ah, denk ik, dus toch. Ik probeer de band om de fiets weg te halen en dat gaat zwaar. Vreemd zwaar. Waar ik normaal altijd genoeg ruimte heb om de band te “verwijderen” is het nu trekken en duwen. Mijn bagage. Ik heb aan die kant mijn zak met kleren gestouwd. Blijkbaar heb ik de binnenkant verder naar binnen gedrukt dan de makers van de fiets voor ogen hadden.


In de stromende regen verhelp ik het euvel; inspecteer de band op ongeregeldheden, wissel de binnenband en zal weer door fietsen. De Big Apple loopt aan. Aardig aan. Eigenlijk hetzelfde als in Bandaran. Ik besluit te stoppen en te kijken hoe de ‘Risse’ vlag er voor hangt. Op dat moment stoppen er twee Pelgrimisten uit Zwolle. Ze vragen of ze helpen kunnen. Graag zeg ik. Ik weet van mezelf dat ik de Risse moeilijk op 7 bar krijg; en een van de Zwollenaren ziet er flink wat sterken dan mij uit. Het lukt hem ook niet. “Tja”, denk ik ineens, “maar uh… feitelijk moeten we op deze manier met dat hele kleine pompje ook nog eens alle bagage optillen”. Ik weet niet eens of deze gedachte juist is. In elk geval zijn er nu twee opties: of ik haal de Risse los, pomp hem op en zet hem dan weer vast; of de fiets wordt aan de achterkant opgetild en dan pompen we hem op. Het wordt de laatste. Ik krijg de druk op bijna 7 bar en zeg dat het zo maar genoeg moet zijn. We kletsen nog een tijdje (wat een aardige mensen) en nemen dan in de stromende regen hartelijk afscheid van elkaar.

Het fietst merkbaar beter, maar het wiel loopt nog steeds wat aan. Na 500 meter stop ik weer. Verdeel de bagage anders en rijd verder met de slaapzak op mijn schoot. “Dit is niets” denk ik en ik overweeg om het slaapzakje (geen dure) weg te gooien. Mijn milieu geweten vind dit zonde en ik kom tot de constatering dat de slaapzak alleen het grote probleem niet eens verminderd. Ik heb qua volume te veel bagage mee. Het gewicht is wel te doen, maar ik stouw te veel. Zodra ik een postkantoor zie, zal ik kijken wat de mogelijkheden zijn.

Met slaapzak op schoot fiets ik verder door de regen. Zonder dekje. Ik ben tijdens “de pech” al zo ongelooflijke nat geworden dan een dekje me nu onzin lijkt. Ik neem me voor om dit gewoon niet erg te vinden en dat lukt. Het is geen mooie dag, maar daarmee nog geen rot dag. Marcelli en Beauce is een pracht dorpje. Ik stop en zet het kerkje met koolzaad op de foto: Het dorpje kan er ook niets aan doen dat het zulk een rot weer is.



Na bijna 80 kilometer steek ik de rivier de Loire over en rijd ik door de stadspoort Vendôme binnen. Wat een pracht stadje, wat een schoonheid! Een heuse kathedraal; een grote mooie toren; een eik uit 1765 en een restaurant dat gewoon open is.

In mijn natte koude kloffie duik ik het restaurant in en bestel een hamburger en een koffie (au lait). Ik “whats app” met mijn dochter en vertel hoe heerlijk het gaat en dat ik – als ik weer warm ben - toch nog wel een kilometer of 50 door wil gaan. Ze schrijft “dat is dom, in zoveel regen, hebben ze daar geen hotel of zo”. Voor ik reageer kijk ik even stiekem op Bookings.com. Hotels genoeg; op nog geen 200 meter en niet duur. Ik schrijf terug: “Dank je, Jente, dit zetje had ik net even nodig, ik ga kijken of ze plek hebben”.

Het hotel heeft plek; in de nog stromende regen breng ik mijn tent, slaapzak en nog wat volume naar het postkantoor zodat de Quest morgen weer haar oorspronkelijke vorm terug heeft. Het blijft maar door plenzen. Ik hoop dat het morgen wel droog is, ook omdat ik dan nog wat foto’s kan maken van dit hele fraaie stadje.



zondag 20 mei 2012

Parijs - Tours

(oké... ook Parijs - Tours)


Ik ben vandaag afgestapt van het ritueel van 8:00 uur ontbijt. Wel gewoon om 7:15 uur wakker. De regen tikt tegen het raam. Ik kijk voorzichtig naar buiten; zie enkel één kleur. Grijs. Wat een regen. Grote plassen voor het hotel en elke keer zo’n fraaie bel in het water als een druppel de plas weer wat meer volume geeft. De buienradar laat onderstaande beeld zien. De stroom verloopt van zuid naar noord. Met andere woorden. Een grote kletsnatte wolken deken vanaf de Pyreneeën tot Toulouse, Bordeaux en Limoges trekt deze kant op.


Ik heb mijn wekker verzet naar 8:45 uur en me resoluut weer omgedraaid. Regen vind ik niet leuk. Een pittige bui kan ik wel hebben. Maar waar ik niet tegen kan is de veel voorkomende combinatie van nat en egaal grijs. Alles vochtig; alles grijs. Das niets voor mij. Als mijn wekker opnieuw afgaat (wel lekker, zo’n uurtje erbij trouwens). Is het beeld door mijn raam niet veranderd. Bah…. De buienradar geeft voor de komende uren geen verbetering. Wellicht dat het na half twaalf even wat beter wordt. Ik neem mijn ontbijt (voor 3 euro en nog helemaal heerlijk vers stokbrood ook!) en de eigenaar van het hotel kijkt me meewarig aan “dit is geen weer, he”. “Nee”, antwoord ik en ik vraag hoe laat ik uitgecheckt moet zijn. Hij zegt “voor jou vandaag voor 18:00 uur, eerder hoeft echt niet”. “Super!” zeg ik “maar ik hoop eerder weg te kunnen”. Na het ontbijt lui op bed het hele internet uitgelezen.

Om 11:00 uur met regenjas aan naar de Intermarché (yep; een gevonden, maar deze lag niet op de route hoor). Een Intermarché Super zelfs. Mijn waterzak (Camel Bag) lekt namelijk. Al een groot aantal dagen. Het lekt zit waarschijnlijk boven in een naad. Als ik de zak niet al te vol doe (half vol) en hem flink op de kop houd gaat het vaak goed in de fiets. En anders (ongeveer even vaak) zijn wat spullen van me nat. Het kost me moeite om afstand te doen van de waterzak (hij is mee op reis geweest rond IJsland), maar als de Intermarché eenzelfde heeft; wie weet. De hoop was ijdel; en ook al is de winkel ongelooflijk groot (super heet dat hier) ik loop zonder ook maar iets aan te schaffen de winkel uit.

Om half twaalf maar weer een blik op de buienradar. Je zou het niet zeggen, maar tegen half één lijkt het wat droog te worden. Ik besluit wat te eten bij de McDonald (een wrap met geitenkaas; wat een topdag; alles ligt ook om de hoek op zo’n centre commercial) omdat hun cappuccino wel lekker is. Als ik daarna ga pakken is het mooi droog als ik wegfiets.

Om 12:00 loop ik het hotel in en de eigenaar zegt “Het lijkt er niet op he”. Ik antwoord “Moet je eens opletten, als ik alles gepakt heb, is het zomaar droog”. “Ik hoop het zo voor je”, zegt hij duidelijk oprecht. Ik loop naar mijn kamerdeur en loop weer terug naar de eigenaar en zeg “U bent aardig, dank!”.

Ruim na half één stap ik de fiets in. Het spettert nog iets, maar de grijsheid van de dag verdwijnt. Eerst via een stuk halve snelweg naar de oorspronkelijke route. Vervolgens de D18 die vandaag niet al te druk is. De weg is nat en heerlijk Hollands vlak. De Quest heeft er zin in. We volgen de rivier de Vienne en eindelijk fiets ik niet, maar rijd ik Quest. Het verschil is dat fietsen werken is om vooruit te komen. Quest rijden is bijtrappen om een heel mooi strak tempo te houden. Ik heb mijn versnelling nog steeds op het binnenblad (voor) staan. Durf niet te schakelen. Heb de Mickey Mouse versnelling af en toe gewoon hard nodig. Meestal in een dorpje of als je dat dorpje weer uit wil. Mijn tempo langs deze mooie rivier is 30; harder lukt alleen als ik m’n benen te vlug ronddraai. Ach eigenlijk vind ik het prima zo. Ik hoef niet per sé voor het schoonfamilieweekend volgende week thuis te zijn ( ;-) ), dus waarom die haast, en waarom zou ik hier 45 willen fietsen.



De D18; ik vind hem net als de rivier geweldig. En als ik afscheid nemen moet (bij Nouârte) omdat ik anders mee ga naar Nantes, maak ik op de brug een foto van de rivier als een soort van dank . Deze 30 kilometers waren geweldig.

Na Nouârte via de bekende fraaie landweggetjes naar Sainte Maure de Touraine. Een mooi – vandaag slaperig – stadje met veel huizen uit de 16e eeuw en een gaaf kasteel (Foulques Nera; graaf van Anjou) uit het jaar 1000. Ik schijn ook langs het hele oude Pelgrims Hospitium gefietst te zijn. Zonder er op te letten gewoon langs gefietst. Foei….

Vlak voor St. Catherine de Fierbois wordt de lucht spectaculair. Dikke dreigende wolken op mijn pad. Prachtig. Deze kleuren; dat mag, hieruit mag het van mij wel regenen! Ik maak veel foto’s tussen de eerste spatten door. En het gekke is; veel meer dan die eerste spatten worden het er niet eens. Tot na Veigné blijft het grotendeels droog.




In Veigne wordt de Indre overgestoken en haar dal uit klimt het aardig omhoog. Er staan veel mensen langs de weg en een enkeling klapt naar me. Ik snap er niet veel van. Totdat ik zie dat er allemaal bordjes met ‘Paris – Tours’ aan de kant van de weg staan. “Parijs – Tours? Dat is toch in oktober pas?”. Ik vraag het een toeschouwer. "Ja, het is klassiekerweekend; voor amateurs. Vandaag Parijs – Tours; morgen doen ze Parijs – Brussels; in een paar minuten komen ze langs en verderop is de eindstreep"..

Ik besluit om af te stappen voor de echte fietsers. Na een paar minuten suist het peloton de heuvel op. Met de wielrenners achteraan heb ik het meeste compassie. Ik herken de verwrongen grijns op het gezicht. Als ze weg zijn rijd ik verder. Even later passeer ook ik de eindstreep. Gejuich van mensen langs de kant. Ik heb het gefilmd. Want zeg nu zelf; de Camino rijden en dan ook nog even tussen door Parijs – Tours; dat doen er niet zoveel.



De mooie stad Tours en de mooie fiets Quest gaan niet samen. De fietsbrug over de Le Cher “past” niet. Het hek is te smal. Het is een heel gezoek om aan de andere kant van de rivier te komen. Uiteindelijk kost het ritje door de stad me twee uur. Ik heb er weer niet veel van gezien. Alleen de vele wegwerkzaamheden en het station.

Het laatste uur regent het ook weer grijs. Ik heb geen zin om nog door te karren en na (niet meer dan) 88 kilometer zet ik mijn fiets in de tuin van wederom een “bio-industrie-hotel” aan de Noordkant van de stad.



zaterdag 19 mei 2012

Valence - Châtellerault

De schrik zat er in, vanmorgen. Gisteravond al goed naar het weerbericht gekeken. Poitiers 9mm regen, geen drup zonneschijn. Dat is bijna snorkelen. De oude dame in Valences is aardig; maar om hier nu een dag rust te nemen; nee; ik vrees dat ik me zou gaan vervelen. Om kwart over zeven nog maar een keer de buienradar erbij gepakt. Aai… Een regenwolk groter dan ons land drijft recht op Valences af. Om kwart voor negen zou hij het dorpje opgezwolgen hebben, zo vertelt de verwachting.
Ik snel het bed uit; alles gepakt en klaar gemaakt voor de reis “Ik wordt nat, vandaag, maar elke minuut dat ik die wolk voorblijf is meegenomen”. Om tien voor acht zit ik bij de oude dame aan tafel te genieten van het ontbijt (geroosterd brood met een zacht ei). Ze heeft extra veel koffie voor me gezet zodat ik ook wat meekan nemen voor onderweg. Ik vertel haar dat het zo gaat regenen. Ze zegt “Nou, volgens mij valt het wel mee hoor”. Ik laat haar de buienradar op mijn iPhone zien “Zo, dat is een boel”, is haar onderkoelde antwoord. Echt onder de indruk is ze niet.

We nemen afscheid met een foto (ik sta nu ook op een heus rolletje) en hup; op pad. Het is weer klimmen en dalen wat de klok slaat. Door dezelfde vriendelijke omgeving als gister; wat kleine riviertjes worden overgestoken, wat loofbossen doorkruist en wat kleine stille dorpjes geschampt.



Mijn snelheid is niet hoog; een gemiddelde van 17 kilometer per uur, maar ik vind dat het heerlijk gaat. Om negen uur nog steeds geen drup op mijn kop. Ik kijk geregeld in de spiegel en denk “zo lang ik nog geen regenwolken zie; houd ik het minstens 5 minuten droog”. Om half elf ben ik in Charroux; een fraai plaatsje met een rare toren (St. Saveur) uit 1095. Het is altijd al een plaats geweest met veel “vreemdelingen”. In de middeleeuwen trokken jaarlijks een 25.000 pelgrims door Charroux; op weg naar een belangrijke bedevaart. In de kroeg naast de markt uit de 16e eeuw (en een haast even oude eend uit de 20ste) word ik vriendelijk geholpen door Engels stel. Ze woont hier al tien jaar, maar ooh… dat Frans; ze heeft het nog steeds niet onder de knie…



Sweerman schrijft in het routeboek dat na Charroux het terrein weer flink heuvelachtig wordt. Dat klopt, weet ik uit ervaring en ik krijg het dus makkelijker. De kilometers tussen Charroux en Poitiers zijn de mooiste die ik tot nu toe in Frankrijk zie. Licht golvend; eenvoudig te befietsen over slingerende landweggetjes waar vrijwel geen auto raast. De bermen zijn vol van Fluitenkruid, Klaver, Klaproos, Pinksterblom, Wilde Margrieten, Boterbloem en als de akkers dan ook nog met Koolzaad worden ingekleurd ga ik vrijwel uit mijn dak.




Ik rijd in een landschap van Monet (de klaprozen in Argenteuil) en hoor mezelf af en toe roepen “wauw… wat mooi hier”. Een waar feest van zo’n dertig kilometer.

Poitiers komt in zicht; op de borden. De stad zie je niet. Het heet de stad van de kerken, maar hoe ik ook tuur, geen toren te ontwaren. Inmiddels is het eindelijk (hard) gaan regenen: niet erg we hebben het bijna 100 kilometer droog gehouden. Ik fiets eerst het industrieterrein over en dan door een troosteloze buitenwijk waar veel kapot is gemaakt. Ben blij als ik in een oud stadsdeel ben en langs een kleine straat de rivier de Vienne volg. Maar ook dan zie ik nog niets van Poitiers. Tussen de struiken door zie ik zo nu en dan de rivier en eindelijk ook een kerk.



Ik stop voor een paar foto’s denk “Nu zal ik wel zo in het centrum zijn”. Op dat moment fiets ik eigenlijk de stad alweer uit. Ik heb geen zin om in de regen te gaan zoeken, vind het wel prima zo. Ik stap een kroeg binnen en bestel twee croissantjes (die liggen onder een stolp op me te wachten) en een fikse bak koffie. Nog een half uur; dan moet het droog zijn zegt de iPhone. Ik vertrouw sinds vanmorgen eerder oude dames dan een buienradar; ik zal het met deze informatie moeten doen.

Tegen vier uur fiets ik een droge stad uit. De route is niet geweldig; lelijk kan ik hem ook niet noemen. Slordige dorpen, wat drukkere wegen en meer troep overal. Onmiskenbaar de sporen van een grote stad.

De volgende stad Châtellerault blijkt plotseling achter een spoorwegtunneltje te liggen. Een drukke weg volgt en omdat het aantal overnachtingsplaatsen verderop niet al te dik gezaaid is, ga ik op zoek naar een hotel.


Op de route de stad door kom ik niets tegen en ik besluit Bookings.com te raadplegen. Op het industrieterrein ten noorden van de stad zijn een paar bio-industrie hotels met kamers vrij. Niet te ver van mijn route. Ik zit nu - na 135 km - in een lemon-hotel met wc en douche op de gang. Een soort van Refugio voor de vertegenwoordiger of de vakantieganger op doorreis. Voetbal staat op de achtergrond aan; er is internet; dus ik vind het allemaal wel best.



Servanches - Valence

Vrijdagavond 10:00 uur

Vanmorgen heb ik mezelf verwend met een half uur langer slapen. Half negen een uitgebreid ontbijt (croissant, kaas, jam, jus, koffie) in het nog altijd heerlijke petit chateau. Wat een luxe! Ik had zowaar de hele nacht gedroomd dat ik hier een rustdag nam. Alle boeken gelezen en zelfs de DVD Puck van de Petteflet lag voor me klaar! Ik heb me zelf de afgelopen week wel eens vergeleken met dat knaapje; overal waar je kwam direct de aandacht; simpel vanwege je voertuig. De Garmin was mijn lispeltuut en als mijn Quest rood was geweest, zou ik er een heel klein kraantje van een heel klein kraanwagentje op monteren.

Helaas; het weer zag er zo goed uit vanmorgen. Wat wolken, maar toch goeddeels een blauwe lucht. Te prachtig fietsweer. Net zo goed als ik mezelf al lui boeken had zien lezen, zo zag ik mezelf nu ook heerlijk met dit weer langs Frankrijks velden zoeven; zweven bijna. Een te mooie dag om niet in de fiets door te brengen was mijn conclusie.

Lekker kalm aan gedaan en pas om half elf de fiets in. Het zou droog blijven. Zo had het Franse weerbericht voorspeld en de buienradar op mijn iPhone gaf eenzelfde weerbeeld. Na vier kilometer de eerste druppels. Niet groot, niet veel, maar wel onaangenaam en vooral koud. De wereld is zoveel minder mooi als slecht weer de kleur opzuigt. Ik kreeg de pest aan het klimmen (kreeg de versnelling ook niet meer op het binnenblad…grrr) en kreeg vooral de pest aan mezelf. Ik had nu, op dit moment, heerlijk met een bakje koffie in de hand, naar de mooiste muziek kunnen luisteren terwijl ik een boek las! En wat doe ik?? Een beetje me het leplazarus trappen in de koude grijze mist.

De halve dag heb ik zo wat liggen te mokken in de fiets met pap in de benen en een tempo van niets. Slechts af en toe werd mijn humeur wat beter door een eekhoorn die zomaar overstak of door een veldje klaprozen of het laatste bloeiende koolzaad.




Het landschap is lieflijk glooiend (behalve als je omhoog moet) en in de dorpjes is de sociale erosie goed te zien. In Dirac is alles dicht; geen brood meer te krijgen. Alleen de kapper is nog open. Ook nu weer is het goed en vooral lang zoeken voor een bak koffie of wat etenswaar. Ik verbaas me er zo wie zo over. Ik rijd vandaag mijn 500ste kilometer in dit Franse land; nog geen Intermarché, super U, of Lidl tegengekomen. Volgens mij lukt zoiets alleen in de fiets en nooit met de auto.


Na Angoulême wordt het weer wat draaglijker. De kou van de natte regendruppels verdwijnt uit de lucht. Mijn jas kan uit en de pet kan af. De eerste kilometers de stad uit (via Touvre) zijn pittig. Flink tot zeer flink klimmen zonder enig rendement (30 meter omhoog in de ene straat; 30 meter omlaag in de volgende straat). Daarna wordt het allemaal wat milder. Zoeven is het nog steeds niet over de Franse wegen, maar als ik een tijdje langs een riviertje mag fietsen, lijkt het er bijna een beetje op.



Ik bezoek nog een café en sla wat simpele “voor het geval dat” boodschappen in in de naast gelegen winkel; 3 bananen; een bakje yoghurt; een blik ravioli en zowaar een mars. In de kroeg zitten wat mensen te kaarten en tv te kijken (de Giro). Iedereen is vriendelijk, maar niemand die me aanspreekt. Als ik wegfiets staan alle kroegbezoekers in de deur of achter het gordijn te kijken. Ik zwaai en ze zwaaien terug.

In Valance (een piepdorpje na 101 km) is een simpele Gite voor Pelerin. Er is plek (ik ben de enige vannacht) in de boerderij uit de 11e eeuw. Het hele huis is brocante (ah… nu weet ik waar dat spul vandaan komt). De muren zijn zo dik dat ik binnen geen enkel bereik heb met de telefoon.




De eigenaresse is 78 en in het huis geboren (dat wiefie heeft nog nooit van WiFi gehoord, zou mijn vriendin zeggen). Voor een heel paar euro kookt ze voor me en voor nog minder dan dat staat er morgenochtend ook een eitje bij het ontbijt en vult ze mijn thermoskan met heet water. We hebben –samen met haar buurvrouw die Parijs ontvlucht is - nog een mooie discussie over “la joie de vivre” die Frankrijk jammerlijk aan het verlaten is; over de suburbs van Parijs waar niemand ooit gelukkig kan zijn of worden; over de onmogelijke opgave van de nieuwe president en vooral ook over het feit dat het uiteindelijk je zelf bepaalt in welke mate je verzuurt.

Wat een leuk einde van een stomme zware natte rot dag….



donderdag 29 december 2011

16,42 Oliebollen


Vandaag weer terug naar Sneek. Half negen er uit en kijkend op de buienradar kreeg ik opeens haast om mijn ontbijt op te eten (zonde, stom, maar goed.. zo werkt het). Tot een uur of elf zou het droog blijven met wellicht een klein streepje zon! Daarna regen, hagel en een klap onweer.   
Uiteindelijk liep het toch nog tegen tienen voordat ik in de fiets zat. Het was een westelijke waaibomen dag, waardoor ik de wind meestal in de zij (tjee wat trekt de fiets) of schuin van achteren had (wauw… dit gaat hard).  Bij Schermerhorn, omdat ze zo mooi zijn nog een paar foto’s van de molens en daarna inderdaad: regen.




Vizier er af; Buff over mijn wangen (wat een perfecte uitvinding, zo’n superlicht wind en waterdicht “sjaaltje”) en het dekzeil er op; het fietst behaaglijk door. 

Ik fiets expres een klein stukje om; door Obdam. In mei heb ik er vanuit mijn werk een heel mooi en geslaagd project mogen bezoeken. Medemensen met een (fikse) lichamelijke en geestelijke beperking voeren er taken uit voor de gemeenschap; het sportveld wordt gemaaid; de zaal schoongehouden; het station opgeruimd; glas ingezameld e.d. Machtig om mee te mogen ervaren. Volgens mij had iedereen vakantie: Geen “bekenden” tegengekomen.

Bij Wieringen regent het echt hard. Een benzinepomp met koffie biedt uitkomst. Even 20 minuten schuilen en hop; daar gaan we weer. Vanaf hier zijn het (flink veel) buien en inderdaad, wat hagel voel ik er ook tussen. De afsluitdijk is vandaag een “eitje”. De wind had nog net iets gunstiger gekund: de dijk waar ik naast rijd, vangt de meeste wind voor me weg  (goh, wat ben ik een enorme zeikerd). Maar ach, dik 40 per uur… wie dut mie wat… 

(trouwens, Tom, Peter, en Marcel... al die dooie meeuwen op het fietspad... uh....komt dat ook door uh... zo'n racekap??)

Thuis blijkt dat ik vandaag tijdens de tocht een 2300 kcal heb verstookt. Een oliebol bevat zo’n 140 kcal. Ik kan er dit weekend dus gerust 16,42 van op…….




zaterdag 17 december 2011

Klein rondje

Ik fiets de laatste weken wat minder. Ben blijkbaar niet zo'n held als de meesten hier. Het waait me snel te hard (boven de 5) en bij donker fietsen is ook niets voor mij. Ondanks het feit dat de lamp in de Quest prima is, vind ik de snelheden bij donker gewoon te hoog. Een tak op de weg; een dikke kuil; je hebt te weinig tijd om snel te reageren, zo meent deze niet zo heel erg grote bikkel.



Vandaag hoefde je geen held te zijn om heerlijk te fietsen. Windkracht 4 en pracht luchten die hagel regen en natte sneeuw in zich dragen. Mooi om te zien, mooi om van te genieten en heerlijk om doorheen te fietsen. Niet ver gefietst; net geen 40 kilometer. Het hadden er meer mogen zijn, maar Sneek was weer in zicht voor ik er erg in had had. Heerlijk was het wel (tegen de koude maar wel even mijn buff opzoeken) en als het morgen weer dit weer is...




vrijdag 28 oktober 2011

Het wil vandaag niet zomeren...

Er zijn zat zaken die snelheid uit je fietstocht halen. Bijvoorbeeld:
a) een nieuw wegdek
b) wegwerkzaamheden
c) slecht zicht
d) modder op de weg
e) overstekende schapen

Er zijn ook veel zaken waardoor je harder gaat fietsen, zoals
a) honden

Niet dat het erg is, maar ik had ze allemaal vandaag.

Volgens het weerbericht zou het mooi weer zijn vandaag. “Een half dagje fietsen en dan hard aan het werk. En als het moet kruip ik het weekend nog een paar uurtjes achter de PC” besloot ik gisteravond. Ik maakte een nieuwe route langs de kust van de provincie; mijn derde deel van de “grenstocht van Fryslân”.

Vanmorgen schijnt er akelig grijs licht langs de gordijnen als de wekker gaat. Naar buiten turend wordt het er niet beter op. Alsof ik op de verkeerde dag wakker wordt. Alles is grijs; het prachtige weer laat blijkbaar op zich wachten. Het voornemen om te fietsen blijft gehandhaafd. “Wellicht klaart het straks nog op”, denk ik optimistisch. Op de buienradar zie ik dat er enkele buien vanuit het IJsselmeer richting Sneek op komen zetten. Ik maak een afweging “als ik nu de route om draai, dus eerst Noord en dan West, fiets ik keurig om de regen heen” en glunderend haal ik de fiets uit de garage.

In 2008 heb ik een tijdje in Menaldum gewerkt. Mooi voor mijn reis in de Alleweder rond IJsland. Conditie bouwde ik op door – vrijwel – dagelijks naar Menaldum te fietsen. Nu fiets ik dezelfde route in de Quest. Een mooie weg, via Scharnegoutum naar Rien en Itens en dan via Hinnaard (met dat fraaie klokkentorentje) naar Winsum, Dronrijp en Menaldum.

Na Scharnegoutum rijd ik over een nieuw wegdek langs het dorpje Lytsewierum. Het fraaie gladde asfalt is vervangen door grind. Of beter grrrrrrrrind. Mijn snelheid daalt bij eenzelfde inspanning toch met een stevige drie kilometer per uur. Zeg 10 procent. Ik snap het niet: wat voor mij geldt, zal toch ook voor autoverkeer moeten gelden. Meer rolweerstand betekent een hoger verbruik en dus meer CO2 uitstoot. Nu zal dat dan wel geen 10% zijn, maar door bij onderhoud van het wegdek de rolweerstand in de besluitvorming mee te nemen, moet er toch milieuwinst te halen zijn.

In Baaium een tweede obstakel; wegwerkzaamheden. Ik vraag keurig of ik er met de(ze) fiets wel langs kan. Dat kan! Alleen heeft met aan het eind van de werkzaamheden geen rekening gehouden met andere voertuigen dan bukfietsen. Ik til de Quest haast over de obstakels heen. Boos kan ik er niet om worden. De blokkade is ook geen stommiteit van de wegwerkers. Ik denk niet dat ze vanmorgen een Quest in gedachten hadden toen ze de weg afsloten.


Het voordeel van de wegafsluiting is dat het tot Dronrijp nu heerlijk rustig op de weg is. Wel blijft het grijs (zeer grijs) en begint het te miezeren. Onder het viaduct van de A31 maak ik mijn bril schoon en haal ik het vizier (jammerlijk) binnen. Op mijn iPhone (buienradar) is geen bui te zien.

“Het regent nu dus niet, er hangen enkel grote druppels water in de lucht”.


Het blijft vies weer. Mijn zicht vermindert en ik gebruik een theedoek om mijn bril geregeld even schoon te poetsen. Even overweeg ik om terug naar Sneek te gaan, maar als ik stop en wat foto’s maak van de grijze grauwe wereld zie ik zowaar ook de schoonheid van deze dag wel in.


Bij Vrouwenparochie - ik zie nog steeds niet veel – ligt er modder op de weg. Veel modder. Ik merk dat de F-lites weinig grip geven en mijn fiets slingert af en toe. Behoedzaam vervolg ik de rit. Ik grijns even ‘tja, welke idioot plant er nu dan ook een route door Noord Friesland; door het Bildt nota bene met alleen maar vette klei’. Bij Oude Bildtzijl kies ik ervoor om even van de route af te wijken. Niet langs de meest noordelijke "Nieuwebildtdijk" maar gewoon langs de langste bewoonbare straat van Nederland de Oudebildtdijk. De reden voor deze wijziging? In de verte zie ik 4 landbouwtrekkers rijden op de noordelijke route.



(de foto hierboven is een heuse kleurenfoto, trouwens...)


Het fietst mooi over de dijk. Ik start bij huisnummer 120 en mag door naar 1226. De dijk (uit 1505) is ruim 14 kilometer lang en zou daarmee de langst bewoonbare straat van Nederland zijn. Het wonderschone wad; de kale lege wereld en de goedkope huizen hebben menig kunstenaar, zonderling of rijke westerling naar de “Ouwe Dyk” gehaald. Dit zie je aan de huizen (huisjes) aan de dijk. Sommige bont geschilderd of ingericht als atelier, sommige leeg als tweede huis en weer andere huizen prachtig verbouwd met aanbouwsels groter dan het oorspronkelijke pand. Een bijzondere mengelmoes van stijlen en beurzen.

Na nummer 1226 gaat de dijk vloeiend over in de Amendyk en wordt dan rechtsaf vervolgd door de Seedyk. De bebouwing is anders (geen huizen meer aan de noordkant van de dijk, maar hier en daar een woning aan de zuidkant) en de dijk toornt hier fier op Deltaniveau boven de polder uit. Ook fiets je nu onderlangs dwars door de grote stilte. Ik rijd door menige groepjes spreeuwen heen (tenminste, dat zijn het volgens mij, maar ik laat me verbeteren…. ), afremmen hoeft niet. Ze zijn snel en behendig en vliegen mooi vrolijk voor en om de Quest. De loslopende schapen onder aan de dijk zijn slomer. Ze reageren nauwelijks op de toeter en pas als ze je zien, schieten ze een halve seconde later naar links of rechts. Harder dan 20 kilometer per uur fiets ik hier niet; omdat je niet weet of het links of rechts zal zijn.



Door het grijze weer sta ik bijna onverwacht in Harlingen. Mijn zwager werkt als kok in het restaurant van rederij Doeksen en ik besluit om zijn snert te toetsen. “Die heeft toch niets te doen zo buiten het seizoen, kunnen we even bijkletsen”. Ik moet echter zoeken naar een plek in het restaurant; druk dus ook druk in de keuken. De snert is prima (waarlijk een “omrijsoep”) en ik groet Warner even kort voor ik wegga.

Daarna door naar Makkum; hier in de jachtwerf ligt – naar verluidt en goed verstopt – het onafgebouwde schip voor Steve Jobs. Normaal heb ik niet zoveel met mega jachten en hun bezitters; dit keer vind ik het jammer dat de eigenaar zijn schip niet in ontvangst kan nemen.

Nog even een stuk dijk naar Gaast en dan via de bekende wegen terug naar Sneek. Twee grote honden schieten de weg op en het valt mee hoe ik zo aan het eind van de rit nog weet te accelereren (heb ontzag voor die beesten). Het weer is na 107 kilometer nog steeds grijs, ik heb geen zon gezien, maar als je goed kijkt is grijs soms ook –heel even - een mooie kleur.